Al een jaar of dertig volg ik een collega arbiter die inmiddels al twaalf jaar woonachtig is in historisch Delfshaven. Kees had toen ik hem leerde kennen eerst een huurwoning in Schiebroek, maar is nu al ongeveer twaalf jaar eigenaar van een huis aan de Voorhaven. Dan leef je, als ik dat zo mag uitdrukken, toch een beetje op stand, nietwaar?
Kees is een rustige vader van drie jongvolwassenen, een toegewijd echtgenoot en harde werker. Enige opvallende kenmerken aan hem zijn z’n tatoeages van Sparta en diverse 010-voetbalfiguren én zijn typisch Rotterdamse tongval. Die nog leuker klinkt als hij een paar biertjes op heeft. ‘Doe mij maar een Hertog Jantje, kerel’. Die hij per fles aan de mond klokkend vervolgens in een paar tellen achterover kan slaan.
Kees kwam ik destijds tegen bij een club in West waar ik voor de KNVB een standaardelftal moest fluiten. Mijn wedstrijd begon om half drie op het hoofdveld en Kees was aangesteld door de bond bij een lager seniorenteam op een bijveld.
Voorafgaand aan de wedstrijd had ik me netjes gemeld in de bestuurskamer, omstreeks 13.00 uur. Kees was naar later bleek opgevangen in de commissiekamer, zo’n drie kwartier voor de aftrap van zijn pot voetbal. Toen hij zich wilde omkleden bleek de tweede scheidsrechterkleedkamer al bezet te zijn. De materiaalman van de club klopte bij mijn deur aan en vroeg of Kees zich bij mij en mijn assistenten kon omkleden. Daar had ik uiteraard geen enkel probleem mee. Collega’s onder elkaar, nietwaar?
Hij maakte kennis met Dirk en Joël, grensrechters uit respectievelijk Strijen en Papendrecht. En vertelde wat over wie hij was en waar hij vandaan kwam. In onvervalst Rotjeknors dus. Maar hij vertelde ook dat hij in de commissiekamer zelf op zoek moest naar een wedstrijdformulier, niet werd verwelkomd met een bakje koffie of thee, niet wist op welk veld er gespeeld moest worden en dus dankzij de behulpzame materiaalman een plekje kreeg om zich op de wedstrijd die hij moest leiden, het vijfde meen ik, te kunnen voorbereiden.
Ik vond dat dit niet kon en vroeg wat hij dan in de pauze wilde drinken. ‘Een spaatje rood, meneer’ zei hij. Het was overigens de laatste keer dat hij meneer tegen me zei, want vanaf toen was het altijd over en weer Kees en Egbert.
Ik liep voordat ieder aan de warming up ging beginnen eerst terug naar de bestuurskamer, vertelde wat mij ter ore was gekomen en bestelde voor Kees ‘alsjeblieft’ een spaatje rood voor in de rust. En in de pauze van onze wedstrijden stonden netjes één cola, een spaatje rood en een spaatje blauw plus een warme thee (ik drink altijd hetzelfde als wat de spelers krijgen) voor ons vieren klaar.
Na afloop werden we alle vier door de secretaris van de vereniging, die ons opwachtte bij de kleedkamer, uitgenodigd om in de bestuurskamer nog wat na te borrelen. Kees voelde zich gewaardeerd en was me dankbaar dat hij dit allemaal mee mocht maken. Voor mij, nogmaals, de normaalste zaak van de wereld.
Het is mij helaas vaker opgevallen dat er clubs zijn die onderscheid maken tussen de fluitgasten, afhankelijk van het niveau waarop men wedstrijden leidt. Toen Kees zelf standaardelftallen ging blazen overkwam hem regelmatig hetzelfde. En hij handelde daarbij steeds op dezelfde wijze als ik had gedaan toen het hem overkwam.
Misschien mag er qua niveau dan menig verschil tussen de arbitrageleden onderling zijn. Maar we zijn allemaal vrijwilligers en hebben allemaal dezelfde hobby. Onze inzet en instelling zijn vrijwel hetzelfde. Dus verdienen we ook een gelijkwaardige behandeling.
Toch?
Columnist Egbert Egberts floot bijna 42 jaar wedstrijden in het amateurvoetbal. Schrijft over wat hem boeit, wat hem raakt, wat hem verwondert, wat hem ergens toe beweegt. Omdat het mag. Reacties? Mail naar info@voetbalrotterdam.nl.








