Bij de C1 van LRC Leerdam, in mijn jeugd, speelde een jongen, die ontzettend ver kon ingooien. Met armen als molenwieken katapulteerde hij de bal vanuit de nek tot vlak voor de zesmeterlijn, ver het strafschopgebied in. Zijn inworpen stonden garant voor groot gevaar voor het doel.
En met regelmaat kwamen er doelpunten uit voort, omdat zowel de doelmannen als zijn medeverdedigers geen raad wisten met deze verkapte voorzetten. Altijd stond er wel een alerte aanvaller van ons team in de buurt, die vaak met succes gebruik van de verwarring in de doelmond kon maken.
Als scheidsrechter heb ik diverse spelers meegemaakt, die net als mijn vroegere teammaatje probeerden met een inworp gevaar te stichten in de aanval. Het vereist een perfecte houding, want de bal moet altijd met beide handen tegelijk, van boven het hoofd, in het veld worden gebracht. Beheers je deze vaardigheid niet, dan lijkt de ingooi al snel op een slingerworp. Of op een eenhandige boogworp. En die zijn niet toegestaan. Ook moet je de bal van achter de zijlijn inwerpen. Dat gaat ook niet altijd goed. Als je vooruit kijkt om een bal naar een medespeler te passen dan kun je niet tegelijkertijd naar beneden kijken of je je voeten op de juiste plek hebt neergezet.
De straf voor een verkeerde spelhervatting vanaf de zijlijn is ‘bal voor de tegenstander’. Ongeacht de hoeveelheid onjuiste inworpen. Bij de pupillen mag je het nog wel eens overdoen, maar vanaf de >12 jaar wordt elke voetballer geacht de juiste techniek te beheersen.
Door de jaren heen heb ik spelers, die ver in konden gooien, op allerlei manieren kracht zien zetten. Vanuit de onderrug, met gedraaide heup, gehurkt, diep achterover gebogen en met een salto voorafgaand aan de worp. Prima, mits de basisregel niet wordt overtreden.
De regel met betrekking tot de inworp is overal hetzelfde. Dus je zou kunnen veronderstellen dat deze ook voor iedereen duidelijk is. En toch is er nog regelmatig gesteggel over. Het haalt bij mij een herinnering aan een voorval boven, toen ik in één wedstrijd een keer of zes voor een onjuiste ingooi floot, steeds door dezelfde speler verkeerd uitgevoerd.
Het was een speler van Hermandad, in het dagelijkse leven brigadier bij de Rotterdamse politie. Hij gebruikte de eenarmige slingerworp, waarbij hij steeds deed alsof hij zijn tweede hand gebruikte om zo ver mogelijk te gooien. Maar zowel de assistent scheidsrechter als ik hadden bij de eerste worp al onze twijfels. Vanaf de derde keer werd de betreffende voetballer steeds bozer en bozer. En na het zoveelste fluitsignaal ging hij helemaal uit zijn plaat. Met een gele kaart tot gevolg. “Nooit heb ik problemen met scheidsrechters, en jij keurt dit af. Hoe haal je het in je hoofd, lomperd.”
De officiële waarschuwing was uiteraard voor de manier waarop hij zijn boosheid uitte. Maar ik gaf aan dat ik de eerstvolgende inworp weer zou affluiten als hij weer niet de regel volgde. En dat hij door mij ook van het veld gestuurd zou worden als hij zich niet fatsoenlijk zou kunnen gedragen.
De aanvoerder van zijn team liet hem daarna geen inworpen meer nemen. Dat was tactisch een goede zet. Hij verontschuldigde zich ook voor zijn medespeler, die volgens hem al vaker was gewezen op zijn eigenaardige manier van gooien. Hij nam de uitballen voortaan zelf. Onberispelijk. Zoals het hoort. Met twee handen, van achter de zijlijn, netjes boven het hoofd loslatend. Geen rare fratsen.
Overigens ben ik voorstander van de intrap. Voetballers moeten wat mij betreft de bal zo weinig mogelijk in de hand houden of met de hand spelen. Maar dat is een andere discussie. Uiteraard mag je daar iets van vinden. Reageer onder het artikel of stuur een mailtje naar de redactie.
Egbert Egberts fluit ruim 41 jaar wekelijks wedstrijden in het amateurvoetbal. Schrijft over wat hem boeit, wat hem raakt, wat hem verwondert, wat hem ergens toe beweegt. Omdat het mag. Reacties? Mail naar info@voetbalrotterdam.nl.








