Als zelfstandig journalist schreef ik enkele weken geleden een artikel voor een landelijk opiniemagazine. De hoofdredacteur belde mij vanwege mijn achtergrond. ,,Als voetbal- en basketbalscheidsrechter kom jij nog ‘ns ergens. Dan zul je ook wel eens gehoord hebben dat er sportclubs zijn die te maken hebben met mensen, die niet blij zijn met het feit dat zij vlakbij een sportaccommodatie woonachtig zijn. Soms loopt de onvrede zo op dat er zelfs sprake is van oorlog met de buren. Kun je daar eens induiken en een verhaal van maken?”
Dat zag ik wel zitten. Het komt overal wel ‘ns voor dat er hommeles is tussen de leden en bestuurders van sportverenigingen en buurt- of wijkbewoners. Dat begint meestal klein. Maar kan flink oplopen tot zaken in de gemeenteraad of rechtbank aan toe. Van parkeeroverlast en drukte met aanrijdend en vertrekkend verkeer tot ernstige geluidsoverlast of lichthinder. Ballen door de ruiten of vernielde struiken of plantsoenen. Discussies die uitmonden in handtastelijkheden. Enzovoorts.
Ik beschreef vijf verschillende scenario’s. Vijf verschillende accommodaties. Drie sportclubs, een recreatie- en wedstrijdzwembad en een sporthal. Een hockeyclub, al dertig jaar behuisd op dezelfde plek, midden in een woonwijk, die net zolang geleden is gebouwd.
Een voetbalvereniging, die is verplaatst naar de buitenzijde van een twee jaar geleden aangelegde nieuwbouwwijk, als grens van de door de provincie vastgestelde rode contouren (waar nu en later niet gebouwd mag worden), een Groene Hartlandschap. En een tennis- en korfbalcomplex, daar waar een oude woonwijk volledig is gerenoveerd, op de plek van een afgebroken meelfabriek. Buurtbewoners ervaren op deze locaties verkeersdrukte, lichtoverlast van de masten in de avonduren, geluidshinder en samenscholing van duistere figuren. Op een plek wordt zelfs drugs gedeald en gebruikt.
Bij het zwembad en de sporthal zijn het vooral de verkeersdrukte en hangjeugd, die voor ongewenste toestanden zorgen. Er is voldoende plek om te kunnen parkeren, maar bezoekers laten veel vuilnis achter. Bij een oud papiercontainer wordt zelfs grofvuil gekieperd. Niet wenselijk dus.
Ik heb omwonenden gesproken, net als de bestuurders en beheerders van de sportaccommodaties. Dito met diverse sporters en andere gebruikers van de velden en huizen van de sport. Heb gebeld met verantwoordelijke gemeentebestuurders, met gemeenteraadsleden en beleidsambtenaren. Daar waar nodig schriftelijke toelichtingen gevraagd. Uiteraard ook gesproken met handhavers en toezichthouders. Met specialisten op het gebied van bouwen, verkeer en ruimtelijke ordening. Met planologen. Met vertegenwoordigers van sportbonden.
En kwam op hoofdlijnen tot drie conclusies. Conclusies die een ieder die een beetje logisch nadenkt ook had kunnen bedenken. De vraag is dan natuurlijk waarom men zich niet eerder had kunnen indenken wat de gevolgen van besluiten nemen voor de betrokkenen maar ook voor de overheden hadden kunnen zijn?
Eén: sportaccommodaties aanleggen bij of in woongebieden heeft gevolgen voor de leefbaarheid. Doe dit dus niet. Twee: sportaccommodaties plannen op geruime afstand van woonwijken heeft gevolgen voor de bereikbaarheid ervan, maar deze zijn inpasbaar als je maar zorgt voor een veilige en goed begaanbare infrastructuur. Regel dat dus eerst. Drie: weet voor welke doelgroepen en ook voor hoeveel mensen je sportaccommodaties realiseert. Met wishful thinking loop je tegen bergen problemen aan. Overleg vooraf met (de) toekomstige gebruikers, win advies in bij het NOC*NSF (want daar is de expertise aanwezig) en laat de inwoners meebeslissen. En laat de gemeenteraad beslissen of het budget ervoor is en juist besteed gaat worden. Succes verzekerd.
Egbert Egberts fluit ruim 41 jaar wekelijks wedstrijden in het amateurvoetbal. En is na een blitzcarrière in het basketbal in de jaren tachtig, begin negentig, daar weer een paar seizoenen als scheids actief. Schrijft over wat hem boeit, wat hem raakt, wat hem verwondert, wat hem ergens toe beweegt. Omdat het mag. Reacties? Mail naar info@voetbalrotterdam.nl.








