Hij is 28 jaar oud en speelde al behoorlijk veel wedstrijden in het eerste elftal van Goudswaardse Boys, maar nooit vanaf het begin van een seizoen. Uitgezonderd dat ene jaar toen hij een jaar of 20 was. Toen stond hij vanaf de voorbereiding wel in de basis, maar alle jaren nadien werd hij pas later in het seizoen vaste kracht. Dit seizoen is het anders. Nu stond Bart Dam wel als basisspeler op het wedstrijdformulier. ‘Dat komt door de corona’, zegt hij stellig. Die opmerking roept vragen op en dat mag hij dus uitleggen. Onder het genot van een bak koffie doet hij dat.
Om te beginnen: je voetbalt al heel je leven bij Goudswaardse Boys.
Bart: ‘Dat klopt. Mijn ouders zijn in Goudswaard gaan wonen toen ik drie jaar oud was. Mijn vader ging er werken. Toen ik een paar jaar ouder was haalde mijn buurman Remco Oversier me over om bij Goudswaardse Boys te komen voetballen. Hij deed daar de F-jes en bij hem ben ik dus begonnen. Ik ben er nooit meer weggegaan’
Wanneer kwam je voor het eerst bij de selectie?
Bart: ‘Toen ik 15 jaar was. Bas Leeuwenburgh was toen trainer van het eerste en die liet me de voorbereiding meedoen. Van hem mocht ik ook af en toe invallen in oefenwedstrijdjes. De allereerste keer dat ik in het eerste elftal meedeed was uit bij GOZ in Mijnsheerenland. We verloren met 8-0, een debuut dus waar ik niet met al te veel plezier op terug kijk. Dat seizoen heb ik niet veel keer meer meegedaan.’
Wanneer kwam je voorgoed bij de selectie?
Bart: ‘Een jaar of vier, vijf later. Leen Verhagen was toen de trainer en hij stelde me op als linksback. In de jeugd was ik altijd verdedigende middenvelder geweest, maar vanuit de jeugd zet je de stap naar die positie in het elftal niet zomaar. Op het middenveld voetbalden toen oudere, geroutineerde spelers en in de spits liep toen Kerwin Poldervaart, allemaal jongens waar je toch wel tegenop keek als jong ventje. Ik had na de overstap van de junioren naar de senioren eerst een jaartje in het tweede elftal gevoetbald, maar onder Leen Verhagen speelde ik een seizoen lang in de basis. Daarna voetbalde ik weer voornamelijk in het tweede elftal.’
Dat je niet bij het eerste bleef viel tegen, vermoed ik.
Bart: ‘Frustrerend was dat, ja. Ik had lekker een jaartje in het eerste gevoetbald en dan moet je weer met het tweede meedoen. Dat valt dan toch wel even tegen, ja. Maar ik ging niet bij de pakken neerzitten. Ik bleef keihard trainen en in wedstrijden mijn best doen. Heel vaak mocht ik op de bank zitten bij het eerste, nadat ik eerst met het tweede had gevoetbald. Regelmatig mocht ik invallen, maar een basisspeler vanaf het begin werd ik niet. Ook niet toen Leo Tol hier trainer werd.’
Hoe kwam dat?
Bart: ‘Omdat mijn vriendin en ik altijd heel laat op vakantie gingen en dan een groot gedeelte van de voorbereiding misten. Eerder op vakantie kon niet, want collega’s met kinderen hadden voorrang op ons werk. Voor ons restten dan de weken op het einde van de zomervakantie of net even daarna, maar dan was de voorbereiding op het nieuwe voetbalseizoen alweer begonnen. Die miste ik dus voor een groot gedeelte en daarom stond ik in het begin van een seizoen nooit in de basis. Door schorsingen, blessures of omdat sommige voetballers een paar mindere dagen hadden, kwam ik weer in beeld. Dan speelde ik vaker en vaker en werd op een gegeven moment toch basisspeler. Maar het volgende seizoen ging ik weer laat op vakantie en begon wederom op de bank. Dat was elk jaar zo. Ik had ook een beetje het gevoel dat ik geslachtofferd werd en heb op zeker moment uitleg gevraagd aan onze trainer Leo Tol. Met de uitleg die Leo gaf, kon ik wel leven. Op de posities waarvoor ik in aanmerking kwam waren jongens die hij beter vond renderen en de weken die ik er in de voorbereiding niet bij was geweest, eisten ook zijn tol. Ik moest maar goed mijn best blijven doen en zorgen dat ik er klaar voor was als Leo me wel nodig had.’
Dit jaar ben je vanaf het begin wel basisspeler. Waarom nu wel?
Bart: ‘Dat komt door de corona. Door de beperkingen die corona oplegt, konden we dit jaar niet lang op vakantie. We zijn nu maar een paar dagen weg geweest en miste ik slechts één training. Dat was in voorgaande jaren dus wel anders. Nu sta ik er vanaf het begin in, centraal in de verdediging. In de drie wedstrijden die Goudswaardse Boys voetbalde voordat corona het seizoen stillegde, stond ik in de basis. De laatste keer was thuis tegen ZBVH, toen er geen toeschouwers bij mochten zijn en er op de dijk naast het veld veel auto’s stonden, waarin mensen zaten die zo naar de wedstrijd keken. In de laatste minuten kregen we nog een doelpunt tegen en zo verloren we die wedstrijd. Toen legde corona de competitie stil.’
Jullie hebben wekenlang niet getraind bij Goudswaardse Boys. Waarom niet?
Bart: ‘Leo Tol heeft ons op de groeps-app gevraagd of we wilden trainen, maar daar was weinig animo voor. We hebben in het begin niet getraind omdat Leo geveld was door het virus en de corona overal flink opvlamde. Toen de overheid besloot dat er slechts getraind mocht worden in viertallen en later nog maar in tweetallen, zagen wij spelers daar het nut niet van in. In zulke kleine groepen trainen is toch helemaal niks? En trouwens: waarom zou je dat doen als je niet weet wanneer je weer mag voetballen? Maar nu duurt het allemaal wel erg lang, we missen ook de onderlinge contacten en vooral daarom zijn we vorige week weer met de trainingen begonnen.’
Hoe heb jij je in de tussentijd fit gehouden? Heb je hard gelopen?
Bart: ‘Nee. Ik heb al tijden last van een chronische peesontsteking aan mijn achillespees. Als ik ga hardlopen op harde ondergrond, voelt dat niet lekker aan. Ja, ook bij het voetballen heb ik er last van, vooral bij de warming-up. Dan moet ik even mijn tanden op elkaar zetten. Als mijn lichaam warm is geworden, zakt de pijn weg en kan ik pijnvrij voetballen. De dag na een wedstrijd of na een training voel ik de achillespees weer wel. Dat is al een hele tijd zo. De blessure kan alleen maar verbeteren door rust. Wat dat betreft komt het wel uit dat ik een tijdje niet getraind en gevoetbald heb.’
En nu maar hopen dat je met minder pijn kan spelen, nu er weer getraind kan worden.
Bart: ‘Inderdaad. Ik moet een goede warming-up doen en dan gaat het dus wel. Ik voetbal veel te graag om nog langer rust te nemen. En mijn verworven plekkie in het elftal als basisspeler wil ik al helemaal niet opgeven. Sommige mensen verklaren me voor gek dat ik elke keer weer door de pijn heen bijt, maar ik vind voetballen in het eerste elftal veel te leuk om dat daar voor op te geven.’








