Ook hij vindt het verschrikkelijk hoe het coronavirus toeslaat. Hij hoopt vurig op betere tijden, tijden waarin iedereen alles weer kan doen zonder beperkingen. Dat er weer gevoetbald mag worden. Maar het stilleggen van de competitie, een van de maatregelen die genomen zijn om het virus in te dammen, komt hem toch wel goed uit. Rohaindrick Hooi, de 26-jarige voorhoedespeler van derdeklasser Rijnmond Hoogvliet Sport, is namelijk al een tijdje uit de running. Vanwege een pijnlijke knie. ‘Een tijdje geleden is er een scan gemaakt van het gewricht en vorige week ben ik geopereerd’, legt hij uit. ‘Ik denk dat ik na de winterstop weer op het veld sta en dat is misschien ook wel de tijd dat er weer gevoetbald mag gaan worden. Zoveel wedstrijden ga ik dus niet missen.’
Hoe heb je die blessure opgelopen?
Rohaindrick: ‘Het gebeurde tijdens een training, in de voorbereiding op dit seizoen. Ik wilde een fake shot maken en op het moment dat ik stopte met lopen, hoorde ik een knak in mijn linkerbeen, het standbeen. Pijn voelde ik niet en ik zette daarom nog een stap. Maar toen voelde ik het wel. Ik viel en wist meteen dat het niet goed was. Een MRI-scan toonde later aan dat er een scheurtje zat in de meniscus en dat hebben ze vorige week met een kijkoperatie verholpen. Deze week hoor ik of het zo goed is. Ik hoop het wel, want dan kan ik gaan werken aan mijn herstel. Dat gaat minstens 6 weken duren. Wat dat betreft komt de corona wel goed uit ja, want ik heb dit seizoen bij Rijnmond Hoogvliet Sport nog geen wedstrijd kunnen voetballen.’
Vorig seizoen wel toch?
Rohaindrick: ‘Ja, maar toen was ik niet helemaal fit . Daardoor had ik toch wel vaak last van spierblessures.’
Spierblessures? Niet helemaal fit? Hoe kwam dat?
Rohaindrick: ‘Daar zit wel een verhaal aan vast. Vorig seizoen was mijn eerste jaar bij Rijnmond Hoogvliet Sport. Daarvoor heb ik jaren bij SHO gevoetbald. Daar was ik terecht gekomen via Wilson Lima, een vriend van me. Ik had tien jaar lang bij Feyenoord in de jeugd gevoetbald, maar toen brak ik mijn been op twee plekken. Toen ik daarvan hersteld was, was ik bang dat ik weer tegen zo’n blessure op zou lopen. Ik was angstig om de duels vol aan te gaan, hield me in en hoewel er in die tijd veel met me gesproken werd dat ik mijn hoofd vrij moest maken, bleef ik die angst houden. Daarom kon ik niet bij Feyenoord blijven. Dat was een enorme tegenvaller. Mijn wereld stortte in en ik had helemaal geen zin meer in voetbal. Ik wilde stoppen. Mijn vader heeft er voor gezorgd dat ik toch bleef voetballen. En vrienden van me ook. Die gingen in Schiedam bij SVVSMC voetballen en vroegen of ik met hen mee ging. Dat heb ik gedaan. We speelden een jaartje in de A en ik wilde eigenlijk wel blijven. Maar Wilson Lima, die ik goed kende, voetbalde toen bij SHO en die zei tegen mij dat ik daar ook moest gaan voetballen. ‘Ik regel dat wel voor je, zei hij. Op de laatste dag van de overschrijvingsperiode zijn we gaan praten bij SHO, met Adil Boujddayn, die toen samen met René Rapmund het tweede elftal trainde. ‘Je mag komen voetballen hier’, zei hij, ‘maar we hebben de selectie al helemaal rond. Voor jou is er alleen maar een plekje in het derde elftal. Als je laat zien dat je goed genoeg bent, dan kan je altijd nog aansluiten bij het tweede. ’Ik wilde die uitdaging wel aan gaan en heb me laten overschrijven naar SHO. Na één training bij het tweede werd ik al overgezet naar het tweede en nog voor de winterstop mocht ik met het eerste meetrainen, dat toen in de hoofdklasse speelde. Jeroen Rijsdijk was de trainer en Geert Bakker en Henk Doeland waren de concurrenten voor de posities waarop ik speelde en dat waren hele goede voetballers. Toch mocht ik vaak invallen en af en toe stond ik in de basis. Speelde toen onder meer tegen Katwijk en Noordwijk. Het jaar daarna hadden we in Sander Fakkel een nieuwe trainer, want Jeroen Rijsdijk was naar Excelsior Maassluis vertrokken. In de voorbereiding liep ik tegen een blessure op. SHO trainde drie dagen in de week en Sander wilde dat ik elke trainingsavond op de club zou zijn. Maar ik vond dat ik op maandag en dinsdag beter aan mijn herstel kon werken in de gym hier in de buurt. Op donderdag was ik wel op de club en op zaterdag, als er gevoetbald was, was ik er ook. Daar was Sander het niet mee eens. Hij wilde dat ik er ook op maandag en diensdag was. Omdat ik vast bleef houden aan mijn eigen mening, kwamen we er dus niet mee uit. Op een dag zei Sander tegen me dat ik het seizoen moest afmaken in het tweede en dat ik daarom mijn spullen maar uit de kleedkamer van het eerste moest halen. ‘Meen je dat echt’, vroeg ik hem. Ja, dat meende hij. ‘Leg je spullen maar in de kleedkamer van het tweede’, zei hij. In het tweede voetballen, dat wil ik niet. Toen heb ik mijn spullen ingeleverd en ben meteen weg gegaan. Later heb ik nog wel een paar keer gesproken met Piet Breevaart, die de technische zaken doet bij SHO, maar tot een terugkeer is het nooit meer gekomen. Sander had eerder wel tegen me gezegd dat hij mijn eigen mening wel waardeerde, maar nadien heb ik hem nooit meer gesproken. No hard feelings, zo loopt het wel eens in het voetbal. Ik heb dat seizoen, na mijn vertrek bij SHO, niet veel gedaan, omdat ik mijn buik wel een beetje vol had van het voetbal. En als ik niets doe, dan komen de kilootjes er snel bij. Ik woog op een gegeven moment 85 kilo. Omdat vrienden tegen me zeiden dat ik toch weer moest gaan voetballen, ben ik vorig seizoen naar Rijnmond Hoogvliet Sport gegaan, want bij die club voetballen veel maten van me. Maar omdat ik bijna een seizoen niets gedaan had, geen bal had aangeraakt, was ik dus niet fit en liep achter de feiten aan. Dat verklaart dus de spierblessures waar ik vorig seizoen mee te kampen had. Ik was van plan dit seizoen het anders te doen. Ik wilde gaan vlammen. In de zomer had ik doorgetraind. Heb veel in de gym gezeten, ben zelfs met een paar boys uit de buurt stukken gaan rennen, alles om fit aan de voorbereiding te kunnen beginnen. En toen verdraaide ik mijn knie.’
Rody van Hemert, je trainer bij Rijnmond Hoogvliet Sport, zegt dat je een hele goede voetballer bent, maar dat je dat niet altijd laat zien. Dat je mentaliteit je soms in de weg zit. Wat vind je daarvan?
Rohaindrick: ‘Daarin heeft hij gelijk. Ik zeg altijd wat ik ervan vind en dat wordt je niet altijd in dank afgenomen. De meeste jongens zeggen ja en amen als een trainer iets vraagt, maar ik moet eerst overtuigd worden. Zeker als ik er anders over denk. Dan vraag ik naar het waarom. Ik ben niet de makkelijkste jongen voor een trainer om mee om te gaan. Maar voetbal is niet alleen passie en beleving. Als je voetbalt moet je plezier hebben, je goed voelen. Ik voel me goed als ik mezelf kan zijn. Mensen kunnen heus wel dingen tegen me zeggen, ook dingen die ik niet zo leuk vind, maar het gaat op het moment waarop dat gebeurt. Ik ben een gevoelsmens. En als voetballer moet ik het van mijn acties hebben. Mijn eerste actie in een wedstrijd moet goed zijn. De eerste balaanname, de eerste tegenstander die ik tegenkom; dan moet het goed gaan. Als dat lukt, zit ik meteen lekker in de wedstrijd. Als het in het begin tegenzit, ga ik met de rem erop spelen. Dan leg ik ballen terug. Dan probeer ik het nog wel een paar keer, maar als het dan nog niet lukt, ga ik nadenken. Dan denk ik dat het die wedrijd niet gaat lukken. Dat hoeft natuurlijk helemaal zo niet te zijn en vaak doe ik echt nog wel goede dingen in die wedstrijd, maar als het in het begin niet lekker gaat, dan spoken zulke gedachten wel door mijn hoofd. Zo zit ik in elkaar. Zo ben ik. Je hoeft dan niet te roepen, want ik weet dan zelf wel dat het niet goed is en dat het anders moet. Als je met 2-0 achterstaat en ze roepen van alles langs de kant, dan helpt dat ook niets. Integendeel zelfs. Dan kun je op een ander moment beter zeggen hoe het moet. Ik voel me goed bij een trainer die hier goed mee weet om te gaan, maar als ik trainer was en ik had een jongen zoals ik in mijn ploeg, dan zou ik soms ook niet weten hoe ik die aan moet pakken.’
Maakt jou dat tot een onhandelbare speler?
Rohaindrick: ‘Helemaal niet. Ook ik wil winnen als ik een wedstrijd speel, maar ik wil wel altijd mezelf blijven. Ik ga me niet anders voordoen dan ik ben. Dat ik daarom misschien wel bij een derdeklasser voetbal en niet hoger, dat mensen denken dat er met mij niet te werken is, so be it. Maar ik ben niet onhandelbaar. Als ik dat wel zou zijn, dan had ik het niet 10 jaar volgehouden in de jeugd bij Feyenoord. Maar ik ben wel een jongen die een eigen aanpak nodig heeft. Als die klik er wel is, is er geen enkel probleem. Dan zit ik lekker in mijn vel, dan voel ik me goed. Moeilijk ben ik niet, maar lastig soms misschien wel. Soms snap ik niet dat mensen het geduld hebben om mij goed te leren kennen, zodat ze weten hoe ze met me om moeten gaan. Dat waardeer ik dan weer wel heel erg. Want zoveel geduld zou ik misschien zelf niet op kunnen brengen.’









Flegmatieke buitenspeler, leuk stukkie Rootje
Johan Vroegindeweij maar hij is niet makkelijk voor trainers.. Trainers zijn niet makkelijk voor mij, omgekeerde wereld
Johan Vroegindeweij … let op wat Perry Potappel over een aantal jaar wordt…
Klasse pik! Je weet het hè? 30 % hahaha zien je gauw weer op veld en hebben contact …
Otman Fertoute echt hè ! Top jaren!