Oude Glorie 14: Marc Bravenboer, de strijder die zijn voetbalschoenen aan de wilgen heeft gehangen. ‘Wij moesten van de trainer verplicht gaan stappen op vrijdagavond.’

3

Hij doorliep bij SHO alle jeugdcategorieën, voetbalde daarna bij Zinkwegse Boys, GOZ, NBSVV, keerde terug bij SHO, vertrok voor een jaartje naar Nieuwenhoorn en keerde nogmaals op het oude nest terug bij SHO. Eerst een jaartje terug als speler van het eerste elftal om vervolgens bij die club met vrienden in een lager elftal te gaan voetballen. Maar daar is hij onlangs mee gestopt.

In het kader van Oude Glorie wilden we graag een verhaal maken met Marc Bravenboer, de strijder van weleer, die ook nog fysiotherapeut is geweest bij Excelsior, in de vier jaar dat die in de eredivisie uitkwam. ‘Oude Glorie? Ik ben eerder oude garde’, lacht Marc, die er bereidwillig een uurtje voor uittrekt om op zijn voetballoopbaan terug te kijken.

Laten we beginnen met SHO, de club waar het allemaal begon. Waarom ben je na één seizoen bij de senioren naar Zinkwegse Boys vertrokken?

Marc: ‘Ik heb bij SHO heel de jeugd doorlopen, van de F1 via de E1, D1, C1, B1 naar de A1. Die A1 was een fantastisch elftal. We werden landskampioen! Toen ik naar de senioren overstapte, kwam ik in het tweede elftal terecht, niet helemaal onlogisch, want het eerste elftal was toen goed. Maar het waren wel vaak jongens die gehaald waren, waardoor de eigen jeugd niet heel veel kans kreeg. Elke week kregen we bij het tweede vijf spelers van het eerste elftal, die dat weekend niet geselecteerd waren, maar bij ons in het tweede wel moesten spelen om in hun ritme te blijven. Gezellig waren die gasten nooit, omdat ze liever bij het eerste hadden gezeten. Omdat zij moesten voetballen, kwam het wel eens voor dat ik op de bank zat. Dat was enorm balen. Elke week twee keer met volle inzet trainen en dan op zaterdag niet spelen; ik had er al snel mijn buik van vol. Een jaartje daarvoor was Peter van Dam, waarmee ik in de jeugd altijd had samengespeeld, naar Zinkwegse Boys vertrokken. ‘Waarom kom je hier ook niet lekker voetballen’, zei hij. ‘Bij deze club sta je elke zaterdag wel in het eerste elftal.’ Ik heb het gedaan, omdat ik wel inzag dat het bij SHO niet veel anders zou worden. Zinkwegse Boys speelde in de vierde klasse. Die competitie stelde helemaal niks voor. Je had een paar leuke ploegen, Leonidas bijvoorbeeld, maar veel tegenstanders konden er helemaal niks van. Maar ik voetbalde wel in een eerste elftal! Toch kwam ik er al snel achter dat dit het ook niet helemaal was. We liepen een periodetitel mis omdat we gelijk speelden tegen Herkingen, terwijl je van zo’n ploeg met 6-0 had moeten winnen. ‘En nu aan de pils’, zeiden mijn medespelers toen ze van het veld afstapten.  Aan het bier terwijl je zojuist een periodetitel was misgelopen? Ik heb me niet eens gedoucht en ben meteen naar huis vertrokken. Zulke dingen, Ik kon daar slecht tegen en toen wist ik het zeker: dit is mijn niveau niet, ik wil hogerop.’

En die kans kreeg je toen GOZ zich meldde.

Marc: ‘Barry Schipper belde. Die was trainer bij GOZ en was bij SHO mijn jeugdtrainer geweest. Die wist wat voor voetballer ik was.’

Wat voor voetballer was je?

Marc: ‘Ik was technisch niet bepaald de meest verfijnde speler, maar ik was wel een strijder. Een soort pitbull op het veld. Eentje die absoluut wilde winnen, die helemaal tot het gaatje ging. En die absoluut niet tegen zijn verlies kon.’

Zo’n speler wilde Barry er dus graag bij hebben bij GOZ?
Marc: ‘Ja. En het was ook een stapje hoger, want GOZ was een derdeklasser. Ik heb er twee jaar gevoetbald en dat waren hele leuke jaren. In het eerste seizoen liepen we op een haar na het kampioenschap mis. De op één na laatste wedstrijd speelden we gelijk en daarmee kwamen we op de ranglijst één punt achter te staan op NBSVV. Onze laatste wedstrijd wonnen we met 7-0 van De Jonge Spartaan en we hoorden dat NBSVV 5 minuten voor tijd achter stond tegen SSS, terwijl zij dus moesten winnen om kampioen te worden. Zij achter, wij waren dus kampioen, zo zei iedereen op dat moment bij GOZ. Maar in de laatste vijf minuten scoorde NBSVV twee keer en wonnen ze met 3-2. Waren zij dus toch kampioen en wij niet. Dat was heel klote en ik was daar behoorlijk chagrijnig van.’

Na afloop van mijn tweede seizoen zouden er veel spelers vertrekken bij GOZ. Ik zou eigenlijk niet weggaan, maar toen belde Cor Bak me op. Die was trainer van NBSVV en kende mij als voetballer van GOZ. Hij vertelde dat hij gelezen had dat er veel spelers zouden vertrekken bij GOZ en wilde mij er bij NBSVV graag bij hebben. ‘Ik wil een winnaar in het veld erbij hebben’, zei hij. Dat zette me wel aan het denken. Vooral ook omdat Jaap Wessels en Dennis Groosjohan daar al speelden, jongens die ik heel goed kende uit mij SHO-tijd, ben ik naar NBSVV gegaan. In het begin was het wel vreemd, want al die Bestebreurs in de ploeg waren jongens waarmee ik het als GOZ-speler flink aan de stok had gehad. Maar zij beschouwden mij al snel als een soort Mark van Bommel: je haat hem als tegenstander, maar je bent blij als je zijn ploegmaat bent. Zo was het bij mij ook. Ik heb er drie jaar gespeeld. Het eerste seizoen met Cor Bak als trainer, het tweede en derde jaar met Hans de Heer op de bank. Supermooie jaren gedraaid bij NBSVV. Mooi was dat Dennis Groosjohan en ik door Hans de Heer verplicht moesten gaan stappen op vrijdagavond. Twee keer hadden we dat niet gedaan en die wedstrijden hadden we de volgende dag verloren. Dus wij moesten verplicht gaan stappen op vrijdagavond. Een keer waren we alle twee behoorlijk lam en bel ik om half 4 ’s morgens met de telefoon van Dennis naar Hans de Heer. Die vroeg de volgende dag aan Dennis waarom hij ’s nachts gebeld had. Dennis wist van niks haha, want hij had niet gemerkt dat ik zijn telefoon gebruikt had. Geweldige tijden beleefd daar bij NBSVV. Elke vrijdagnacht hadden we flink uitgehaald om de volgende dag te vlammen op het veld. Ik weet nog dat we op weg naar een uitwedstrijd tegen Den Bommel moesten wachten omdat de Haringvlietbrug open stond. Ik voelde me niet helemaal lekker en moest in die file tussen al die auto’s plotseling flink over mijn nek. Maar bij Den Bommel speelde ik later die middag wel een prima wedstrijd. We wonnen die middag met dikke cijfers.’

En toen meldde SHO zich.

Marc: ‘Ja, daar was een nieuw bestuur gekomen en dat zette in op eigen jongens, op voetballers uit eigen jeugd of met een SHO-verleden. Zo kwamen ze bij mij uit en toen ze dat vroegen, kon ik natuurlijk geen nee zeggen. SHO was en is mijn club! Ik ben naar SHO gegaan, samen met Dennis Groosjohan, die dus zo ook op het oude nest terugkeerde. Jeroen Rijsdijk was toen trainer. In de zomerstop had ik mijn achillespees overbelast en had daar flink last van. Die was ontstoken en heel dik. Maar ik heb toch als een waanzinnige getraind . Met veel pijn. Ik slikte pijnstillers en ging maar door. Achteraf niet helemaal slim natuurlijk, maar ik wilde er alles aan doen om het eerste elftal te halen. Dat lukte niet, ook niet toen ik geen last meer had van mijn achillespees. Ik brak wel twee keer mijn hand, dus lekker ging het niet. Het eerste half jaar zat ik op de bank en veel mensen hadden dat al voorspeld toen ik van NBSVV naar SHO ging. Jeroen had trouwens geen enkele aanleiding om zijn ploeg te veranderen, want 12 wedstrijden hadden 31 punten opgeleverd. Na de winterstop kwam ik er wel in en draaide een prima tweede seizoenshelft. Het jaar daarop stond ik in het begin  weer niet in de ploeg. Dat was wel balen. Tegen de winterstop meldde Nieuwenhoorn zich. Hans de Heer was daar assistent-trainer en had mijn naam daar laten vallen. Hij kwam kijken, samen met hoofdtrainer Wim Schaap toen ik een oefenwedstrijd speelde tegen VVGZ. Dat ging die middag heel erg goed en bij Nieuwenhoorn wilden ze me graag hebben. De zaterdag na die wedstrijd tegen VVGZ zat ik weer op de bank en toen heb ik besloten naar Nieuwenhoorn te gaan, dat toen op zondag in de hoofdklasse voetbalde. Toen ik dat besloten had, werd ik bij SHO weer basisspeler en draaide weer een prima seizoenshelft. Of ik toch niet wilde blijven, smeekten ze daar. Maar ik kon dat niet maken, vond ik, want ik had mijn ja-woord aan Nieuwenhoorn gebleven. Dat ene jaar bij Nieuwenhoorn speelde ik alles, verdiende een paar leuke centen, maar na dat seizoen ging ik toch weer terug naar SHO. Omdat ze me daar heel graag terug wilden hebben. Bij Nieuwenhoorn was het trouwens wel een bizar jaar. Halverwege het seizoen stonden we vierde en hadden we gewonnen van grote ploegen, maar toen werd daar de stekker uit het zondagvoetbal gehaald en speelden we dus helemaal nergens meer om. Het maakte helemaal niet meer uit wat we deden. Het boeide niets meer. We verloren alles en uiteindelijk eindigden we op een degradatieplaats. Gelukkig kon ik daarna terug naar SHO.’

Maar daar speelde je weer weinig in het begin.

Marc: ‘Dat klopt en dat begon me wel tegen te staan. Ik vond het verschrikkelijk om voluit te trainen maar dan vervolgens niet te spelen op zaterdag. Ik vroeg overschrijving aan naar NBSVV, vooral omdat Hans de Heer daar trainer was en die me er graag weer bij wilde hebben. Maar dat liep al snel niet lekker. We botsten en ik heb mijn overschrijving ingetrokken. Ben toen na een paar maanden bij SHO in het vierde gaan voetballen, met jongens waarmee ik eerder had samengespeeld.’

Lager voetballen, hoe  was dat?

Marc: ‘Ik heb het drie jaar gedaan. Samen spelen met jongens die goed konden voetballen was in het begin heel leuk, maar er waren ook jongens in ons elftal bij die het eerste nooit gehaald hadden. Die dus niet zo goed waren en vaak fouten maakten in de wedstrijd. Daar kon ik steeds minder tegen. Het was te vrijblijvend allemaal. Vrijblijvend was ik niet, integendeel. Ik eiste alles van mezelf en ook van anderen. Ik ging uit mijn plaat als iemand iets verkeerd deed in het veld. Ik was veel te fanatiek voor dat niveau. Veel jongens kenden mij heel goed en konden mijn bezetenheid wel een plekje geven, maar ook dat begon op een gegeven moment een beetje te schuren. Ik was gewoon te fanatiek. Vorig jaar maakte de coronacrisis een vroegtijdig einde aan het seizoen en toen we niet meer konden voetballen, had ik daar helemaal geen problemen mee. Ik vond het zelfs leuk, miste het voetballen absoluut niet. Ik ben dit seizoen wel met de voorbereiding begonnen, maar liep al snel weer tegen dezelfde muur op. Ik kon niet accepteren dat mijn medespelers een stapje minder zetten. Ik ben meteen gestopt en mis het voetbal niet. Helemaal niet zelfs.’

Tot slot: vertel eens iets over je tijd als fysiotherapeut bij Excelsior. Hoe ben je daar terechtgekomen en wat heb je daar gedaan?

Marc: ‘Ik volgde een opleiding tot fysiotherapeut en Thomas Verhaar zat bij mij in de klas. Toen de stageplekken verdeeld werden, waren er twee bij voetbalclubs beschikbaar: eentje bij Sparta en eentje bij Excelsior. Thomas en ik waren de voetballers uit onze klas en wij kregen die plekken. Thomas bij Sparta en ik bij Excelsior. Ik heb er als stagiair een hele mooie tijd gehad en er na mijn studie ook nog vier jaar een aantal uur per dag gewerkt. Dat deed ik naast mijn baan als fysio in Zoetermeer. Mooie tijden beleefd bij Excelsior, dat toen vier jaar achtereen in de Eredivisie speelde. Het allermooiste was nog een trainingskamp in Delden. Er zouden toen 22 spelers meegaan, maar eentje was te geblesseerd om mee te gaan. Marinus Dijkhuizen was toen trainer en je voelt de bui al hangen: hij wist dat ik op hoofdklasseniveau voetbalde en zei dat ik tijdens positiespelletjes en partijtjes op de training mee moest doen. Dat was geweldig. Dat was de mooiste week die ik in heel mijn voetballoopbaan had meegemaakt. Je werd altijd op je goede been aangespeeld, had heel weinig tijd, maar altijd veel afspeelmogelijkheden. Ik speelde elke bal meteen af en viel niet door het ijs, haha. Daardoor kreeg ik heel veel respect en waardering van alle voetballers en kon ik bij hen helemaal niet meer kapot. Fantastische tijd meegemaakt zo.’

Waarom ben je na vier jaar toch bij Excelsior weggegaan?

Marc: ‘Omdat ik qua tijdsindeling toch wel knijp kwam te zitten met mijn werk in Zoetermeer. Daar kreeg ik trouwens mensen op de behandeltafel die echt iets mankeerden, die zich oor mijn werk beter gingen voelen en ook beter werden. Bij Excelsior masseerde ik vooral en zorgde er zo voor dat de spelers zich lekker voelden. Die voetballers verzorgen, moest ik dat opgeven voor mijn werk in Zoetermeer waar ik eigenlijk veel meer voldoening uit haalde? Nee, dat wilde ik toch niet, ook al niet omdat ik geen 7 dagen per week met voetbal bezig wilde zijn. Maar ik kijk met een goed gevoel terug op mijn tijd bij Excelsior, heb het daar echt goed naar mijn zin gehad. Met sommige spelers heb ik nog altijd een goed contact en dat is me veel waard.’

 

3 Comments
  1. Danny Pelizzon zegt

    Ik zeg die wilg omkappen schoenen eruit en heel snel terug komen naar NBSVV!

  2. Rinus Kerskes zegt

    Marc Bravenboer heel leuk verhaal

  3. Aad van der Benning zegt

    he kanjer hoe is het,mooi verhaal heb een leuke tijd gehad met je kerel het ga je goed

Laat een antwoord achter