Hij zit drie dagen in de week op school in Breda, op het CIOS in die Brabantse stad gaat hij zijn laatste jaar in. Hij speelt bij tweedeklasser VVGZ in het eerste elftal en bij eredivisieploeg Feyenoord Futsal, het voormalige TPP, is hij ook selectiespeler. Hij is jeugdtrainer bij FC Dordrecht, waar hij de Onder 15 traint en bij VVGZ traint en coacht hij ook nog de Onder13. Hij wil dit jaar zijn trainerspapieren halen. En hij heeft een vriendin. De 21-jarige Jermain Sewambar heeft een zeer druk bezette agenda. Wij willen graag weten hoe hij dat allemaal kan combineren, of hij het soms niet te druk heeft en tegen zijn grenzen aanloopt. Jermain wil dat graag uitleggen en onder het genot van een cappuccino en een tompouce, verstrekt door zijn moeder, gaat hij in op deze vragen en op nog een paar andere.
Wat was er eerst: veldvoetbal of spelen in de zaal?
Jermain: ‘Veldvoetbal. Ik ben begonnen bij BVV Barendracht. Ik woonde toen nog in Rotterdam-Zuid en een paar neefjes van mij voetbalden daar al. Omdat ze het daar naar hun zin hadden, leek het mijn vader een goed idee dat ik daar ook ging voetballen. Al snel stapte ik over naar Excelsior Rotterdam en ging daar in de jeugd voetballen. Later werd ik ook nog gescout door Feyenoord en heb daar in de jeugdopleiding gezeten tot de C1. Maar dat was het toch niet helemaal. Alles stond in het teken van voetbal. Het was vier keer in de week trainen en op zaterdag een wedstrijd en veel tijd voor andere dingen was er niet. Dat ging me een beetje tegenstaan en toen ben ik naar Smitshoek gegaan. Daar hoefde ik maar twee keer in de week te trainen. Toen ik 17 jaar was haalde trainer Raymon Frehe me bij de selectie en mocht ik meetrainen. Mijn wedstrijden speelde ik in het tweede. Na dat seizoen kreeg ik aanbiedingen van Achilles’29, toen een BVO en van NAC Breda voor de onder19. En ook van RVVH dat toen in de topklasse speelde. Ik koos voor RVVH, maar die keus pakte verkeerd uit. Er was daar een hele grote spelersgroep en ik belandde in het tweede. Of misschien wel in het derde. Na twee maanden ging ik terug naar Smitshoek. Omdat ik nog geen officiële wedstrijden had gespeeld kon dat nog. Ik moest bij Smitshoek in het derde beginnen. ‘Bewijs je maar. Als je goed genoeg bent, kom je vanzelf bovendrijven’, zeiden ze daar. Ik heb dat seizoen voornamelijk in het tweede gespeeld. Het jaar daarna was Richard Middelkoop trainer bij Smitshoek en onder hem maakte ik een hele goede voorbereiding. Ik stond er bij hem goed op, maar vlak voordat de competitie begon, verrekte ik mijn enkelband en lag ik er een week of vijf, zes uit. Toen ik hersteld was, stond het elftal en kwam ik weer in het tweede. Aan het einde van dat seizoen heb ik besloten een stapje lager te gaan voetballen en ben op zoek gegaan naar een club waar ik meer kans had op een plek in het eerste. Ik kwam uit bij VVGZ, omdat daar Jeroen Kloosterboer voetbalde, iemand die ik kende en die was lovend over die club. Ik had een goed gesprek met Ad Bossers, de technische man en met Fop Goumans, die het volgende seizoen de nieuwe trainer zou worden. De club stond toen op een veilige plek in de eerste klasse en alles zag er goed uit. Ik heb mijn ja-woord gegeven, maar VVGZ belandde in de nacompetitie en degradeerde uiteindelijk naar de tweede klasse. Maar omdat ik mijn woord had gegeven, ben ik gebleven.’
Kreeg je daar spijt van?
Jermain: ‘Helemaal niet. VVGZ is een mooie club, met veel fijne mensen en Fop Goumans is een hele goede trainer. Hij is eerlijk en straight en daar hou ik wel van. Bovendien laat hij me voetballen zoals ik dat zelf ook heel graag wil.’
We hebben Fop gevraagd hoe hij over jou als voetballer denkt. Hij vindt je een speler waarvoor je naar het voetbal gaat. Wat bedoelt hij daarmee?
Jermain: ‘Ik speel aan de linkerkant van het middenveld en ik breng het voetbal in de ploeg. Natuurlijk hebben we goede spelers in ons elftal, maar bij mij beginnen de aanvallen. Ik heb een goede techniek en heb rust aan de bal. Het begint bij mij, tenminste, zo probeer ik altijd te voetballen. Ik wil heel graag de bal hebben. Ik moet de speler zijn die de pass verzorgt, de diepteballen geeft. In de tweede klasse afgelopen seizoen waren wij een van de betere ploegen en omdat we veel balbezit hadden kon ik ook op die manier voetballen.’
Wanneer kwam het zaalvoetbal om de hoek kijken?
Jermain: ‘Ik deed het al een paar jaar, met een paar vrienden, maar dat kon je nauwelijks serieus noemen. We speelden competitiewedstrijden, maar meestal tegen mannen van 40 of 50 jaar oud. Vorig jaar werd het wel serieus. Ik raakte in gesprek met Appie Marbah, de trainer van TPP. Hij zag wel iets in me en vroeg of ik mee wilde trainen om te kijken of ik het echt leuk vond. En voor hem om te kijken of ik wel goed genoeg was natuurlijk. Dat heb ik gedaan. Toen werd het ineens wel serieus. Een paar keer trainen in de week, veel oefenwedstrijden spelen. In het begon speelde ik niet zo vaak, maar in de allereerste competitiewedstrijd, tegen Groene Ster mocht ik starten. Ik heb dat seizoen heel veel gespeeld, op de nummer 3 positie. Dat is de achterste man en op die plek worden de aanvallen opgebouwd. Een zelfde soort rol dus als op het veld bij VVGZ.’
Spelen in de zaal is toch heel anders dan op het veld?
Jermain: ‘Op het veld kun je nog wel eens even gas terugnemen. In de zaal ben je constant in beweging. Het is rennen, stoppen, draaien, sprinten, keren en dat minuten achter elkaar. Langer kan niet en daarom wordt er in de zaal heel veel gewisseld. Spelen in de eredivisie is super intensief, ook al omdat je verre uitwedstrijden hebt en vaak pas om 1 uur ’s nachts weer thuis bent. En soms nog later.’
Om vervolgens de volgende dag bij VVGZ ook weer alles te geven.
Jermain: ‘Inderdaad. Ik ben na 70 minten soms helemaal kapot, maar de trainer haalt me niet van het veld. Hij laat me altijd staan omdat hij me belangrijk voor het team vindt. En dan maak ik de 90 minuten wel vol.’
Hoe hou je dat vol? Dat moet je op een gegeven moment toch opbreken?
Jermain: ‘De eerste 12 wedstrijden bij VVGZ waren beter dan de laatste. Toen draaide ik toch wel iets minder, was ik minder fit. De vermoeidheid ging toen wel meespelen, denk ik. Ik heb er vaak gesprekken over met Fop. Hij vindt dat ik meer rust moet pakken, soms gas moet terugnemen en als er bij VVGZ een belangrijke wedstrijd op de rol staat, dan het zaalvoetbal maar een keertje moet overslaan. Dat gaat allemaal in goed overleg en Fop heeft ook alle begrip voor me, maar het is best wel moeilijk voor me, want ik doe het alle twee met veel plezier. Maar veldvoetbal is toch nog iets leuker dan het spelen in een zaal. Op het veld is het echter, vind ik. Daarom ben ik van plan het advies van Fop op te volgen.’
Dus als je moet kiezen, dan komt het veldvoetbal eerst?
Jermain: ‘Het is nu nog allemaal goed te combineren, maar als ik mijn school heb afgerond en mijn trainersdiploma heb gehaald, dan wil ik als voetballer hogerop. Graag met VVGZ, maar dan moeten ze wel promoveren naar de eerste klasse. Als VVGZ die stap zet, blijf ik graag. Als dat niet lukt, dan moet ik op zoek naar een andere club. Dan wordt veldvoetbal mijn eerste prioriteit. Ik zie wel wat er op mijn pad komt. Ik weet wel dat hoe hoger je komt, hoe minder snel het goed gevonden wordt dat je naast het veld ook in de zaal voetbalt. Nu kan dat nog, maar ik zal er een paar keer een mouw aan moeten passen. Dat ga ik dus maar doen.’








