Oude Glorie (7) Piet Jonas: ‘Clubs hoeven niet meer te bellen. Ik heb expres mijn trainerslicentie laten verlopen’

0

Oude Glorie. Dit is een rubriek van VoetbalRotterdam die regelmatig verschijnt. De ene keer wordt een voetballer of trainer uit lang vervlogen tijden belicht, de andere keer is er een verhaal met een erelid, een lid van verdienste of iemand anders die zich voor zijn club verdienstelijk heeft gemaakt.

Aflevering 7 gaat over Piet Jonas, die eerst 19 jaar in het eerste elftal van Strijen heeft gevoetbald en daarna als trainer bij talloze clubs heeft gewerkt. Over die periode hebben we met hem uitgebreid herinneringen opgehaald.

Na al die jaren bij Strijen in het eerste heb je ook nog een jaartje bij Puttershoek gevoetbald. Hoe is dat zo gekomen?

Piet: ‘Ik ben een echte Strijenaar, Strijen is mijn club. Voetbalde daar van kinds af aan en heb later vele jaren met veel plezier in het eerste gevoetbald. Een hele periode met Geert Meijer als trainer en dat was geweldig. Nee, ik had helemaal geen trek om ergens anders te gaan voetballen. Heb wel een keertje bij DS’79 meegetraind, de club die nu FC Dordrecht heet. Dat was op uitnodiging van hen. Kort nadat ik meegetraind had werd de toenmalige trainer Hans Dorjee ontslagen. Ik heb van die club nooit meer iets vernomen en ben altijd bij Strijen blijven voetballen. Tot mijn 35e, altijd als middenvelder, hoewel ik soms ook wel eens als laatste man heb gespeeld. Maar op het einde was het niet zo leuk meer bij Strijen. Met Jaap Viergever als trainer, had ik niet zo’n klik. Dat werd bekend hier in de regio en dat kwam ook Kees Kraijo ter ore, die toentertijd het eerste elftal deed bij Puttershoek. ‘Dan kom je toch lekker hier voetballen’, zei hij tegen me. En ik kon er gelijk ook assistent worden. Zo kwam ik bij Puttershoek terecht.’

Maar dat duurde maar 1 seizoen. Waarom zo kort?
Piet: ‘Ik was heel mijn leven gewend om op zaterdag te voetballen. Maar Puttershoek was een zondagvereniging. Ik voetbalde er, was trainer van het tweede elftal en was op zondagmiddag ook assistent, maar ik had met spelen op zondag weinig op.’

Toch werd je eerste club als hoofdtrainer wel een zondagclub.

Piet: ‘Ja, dat klopt. Dat was Bolnes. Ik was jaren eerder bij Strijen al begonnen als trainer van de jeugd en dat beviel me best. Toen ben ik al begonnen om mijn papieren te halen. Dat jaartje bij Puttershoek was het niet helemaal, maar van het assistent en trainer zijn kreeg ik wel de smaak te pakken. Ik werd er steeds meer enthousiast van en wilde best wel ergens als hoofdtrainer aan de slag. Dat werd dus Bolnes, de zondagafdeling. Die club belde zelf. Bij hen stond alles in het teken van de zaterdag, spelers van de zaterdagselectie kregen geld en hun wedstrijden trokken best wel veel publiek. Het zondagelftal hing er een beetje bij vond ik  en druk is het nooit geweest. Maar ik heb er redelijke jaren gedraaid als trainer. Het zondagelftal was voor mijn komst twee keer achter elkaar gepromoveerd en de algehele verwachting was dat ze er meteen weer uit zouden vliegen, maar we bleven er gewoon in. Trainer te zijn vond ik steeds leuker worden.’

Je had vroeger in het leger gezeten. Heb je de ervaringen uit die tijd meegenomen in hoe je trainer was?

Piet: ‘Als dienstplichtig militair had ik opgegeven dat ik graag chauffeur wilde worden. Van een jeep of van een vrachtwagen. Ik werd chauffeur, maar dan van een tank. Ik kreeg eerst een opleiding in Amersfoort en daarna ben ik 10 maanden gelegerd geweest in ’t Harde. Als chauffeur van een Centuriontank, later van een Leopard. Dat beviel me wel. Ik was van origine lasser en bankwerker, maar in het leger vond ik het veel leuker. Daarom heb ik voor 5 jaar bijgetekend. Die vijf jaar heb ik doorgebracht in Oirschot, al die tijd als tankchauffeur. Een hele leuke periode, ook al omdat je als groep alles samen moet doen, op elkaar aangewezen bent en dat je je mentaliteit op elkaar moet afstemmen. Je moet je dus voortdurend aanpassen. Die periode heeft me wel gevormd en als je dan jaren later trainer wordt, heb je die ervaringen mooi in je bagage zitten. Dan probeer je van een groep totaal verschillende jongens één voetballend geheel te maken. Spelers moeten namelijk allemaal weten dat ze het samen moeten doen. Dat ze van elkaar afhankelijk zijn als ze iets willen bereiken. Het was meer dan 10 jaar geleden dat ik die jaren in het leger had doorgebracht, maar ze hebben me later als trainer wel profijt gebracht.’

Bij Bolnes ben je één seizoen gebleven.

Piet: ‘Het niveau viel me toch wel tegen en het was te lief allemaal. Ik wilde iets anders en vooral iets  op zaterdag. Dat werd Goudswaardse Boys. Ik had er gesolliciteerd omdat de club op zaterdag speelde, omdat het een vereniging uit de Hoeksche Waard was en ook omdat het een kleine, dorpse club was. Anders dus dan Bolnes. Ik ben twee jaar als trainer bij Goudswaardse Boys gebleven. Het eerste jaar promoveerden we naar de derde klasse en het tweede jaar zijn we erin gebleven. Na twee jaar had ik het wel gezien. Zo zat ik in elkaar. Als trainer moet je niet te lang bij dezelfde club blijven, vond ik. Goudswaardse Boys was een prima club, heel gezellig ook, maar alle goede bedoelingen ten spijt, hogerop zouden ze nooit geraken. En ik wilde meer dan de derde klasse.’

Je volgende club was HBSS uit Schiedam. Iets helemaal anders.

Piet: Toen ik met HBSS kort voor de winterstop overeen kwam dat ik het komend seizoen de nieuwe trainer zou worden, stond de club er prima voor in de tweede klasse. Jos Houweling was er trainer en alles leek er op dat promotie naar de eerste klasse gerealiseerd zou worden. Maar dat liep helemaal anders. De sponsor trok zijn handen af van het eerste elftal, spelers gooiden hun kont in de krib, de prestaties werden minder en minder en aan het einde van de rit degradeerde de club naar de derde klasse en vertrokken er veertien spelers. Ik hield maar een handjevol spelers over. Maar ik heb bij HBSS heerlijk gewerkt. Ben er drie jaar trainer gebleven en op het einde nog jongens als Frans van der Meer en Wout Griep terug bij het eerste gehaald.’

Na HBSS was je drie jaar trainer bij Maasdam.

Piet: ‘Dat waren drie geweldige jaren. In het eerste jaar werden we kampioen en voor het eerst in de geschiedenis van de club gingen ze in de tweede klasse voetballen. Dat was groot feest. Ik had een geweldig goed elftal toen. Een paar jongens uit Rotterdam, maar heel veel  jongens die bij Maasdam al in de jeugd hadden gevoetbald.  In de tweede klasse haalden we een periodetitel, maar we verloren in de nacompetitie op strafschoppen van NTVV. Drie heerlijke jaren gehad bij Masdam, maar toen was het wel weer genoeg. Als trainer vertel je al die jaren hetzelfde verhaaltje, je maakt dezelfde grapjes en als het verloop in de spelersgroep niet heel groot is, wordt het dan allemaal te eigen. Dat wilde ik voor zijn en dus ging ik op zoek naar een nieuwe club.’

Dat werd Oranje Wit.

Piet: ‘Die club was eersteklasser en had goede verhalen van mij gehoord als trainer van Maasdam. Ik heb er gesolliciteerd en werd aangenomen. Maar ik had de papieren niet om trainer in de eerste klasse te zijn. Dat werd opgelost omdat Joop Warner die papieren wel had. Joop fungeerde als stroman, hij was technisch coördinator van de club. Zo was ik de trainer en bepaalde wie er speelde. Ja, ik maakte de dienst uit, haha. Het eerste jaar haalden we een periodetitel maar werden in de nacompetitie uitgeschakeld door Roda Boys. Het tweede jaar draaiden we aanvankelijk goed mee en rond de winterstop werd mijn contract dan ook met een extra seizoen verlengd. Maar na de winterstop ging het zo goed niet meer. Kort na het seizoen, op de avond van de laatste training, kreeg ik een telefoontje van de voorzitter. Ze wilden me op non-actief zetten. ‘Maar je weet toch dat ik nog een contract voor een jaar heb’, zei ik hem. Dat wist hij en hij vertelde dat de club alle verplichtingen na zou komen.’

En toen belde Piershil.

Piet: ‘Leo Tol zou daar beginnen als trainer, maar toen ik daar trainer werd, deed hij vrijwillig een stapje terug. ‘Dan word ik toch gewoon je leider’, zei hij. Een geweldige vent, Leo. Bij Piershil, dat in de vierde klasse speelde, zou ik lang niet zo veel verdienen als wat ik bij Oranje Wit kreeg. Dat was wel even een issue toen ze bij Oranje Wit wisten dat ik een nieuwe club had gevonden. De penningmeester van Oranje Wit is twee keer bij mij thuis langs geweest, maar ik wilde me niet met een fooi laten afschepen. Uiteindelijk kwamen we overeen dat Oranje Wit het verschil zou bijpassen. Dat hebben ze dus netjes afgehandeld. Toen ik trainer was bij Piershil werden spelers daar nog niet betaald, dat kwam pas later. Maar daarbuiten om waren de faciliteiten geweldig bij Piershil. Zo gingen we elke winter op trainingskamp, naar Turkije of naar Portugal. En in die tijd gingen nog maar heel weinig clubs in de winter naar het buitenland. Wij dus wel. Geweldig was dat. Met Piershil ben ik gepromoveerd naar de derde klasse en in mijn derde jaar draaiden we daar lang bovenin mee. We werden net geen kampioen. Theo Bos belde toen dat het maar beter was dat ik zou stoppen als trainer. Dat gebeurde dus, want Theo bepaalde veel bij Piershil. Maar ik vroeg hem wel of hij wist waar we vandaan waren gekomen. Een paar jaar eerder speelde de club nog in de vijfde klasse!’

Je volgende club was Flakkee.

Piet: ‘Dat speelde toen nog op zondag. Ik had spelers in de selectie die elke  zaterdagavond veel bier dronken in De Staver, de grote sporthal daar in de buurt en op zondag niet vooruit te branden waren. Daar was ik net te fanatiek voor om het daar lang vol te houden. Ik ben er een jaartje gebleven.’

Toen SNS.

Piet: ‘Ook dat werd niet zo’n succes. Ik ben daar na een half jaar zelf opgestapt. Het is daar nooit geworden zoals ik het voor ogen had.’

Strijen werd het toen, maar ook bij die club maakte je het seizoen niet af.

Piet: ‘Als Strijenaar was ik lid van een soort klankbordgroep die aan het overleggen was welke richting de club op wilde. Blijven we spelers betalen of doen we dat niet meer? Wat voor soort trainer willen we hebben? En meer van dat soort vragen. Op zeker moment werd de vraag gesteld of ik geen trainer wilde worden. Waarom niet, zo dacht ik, want Strijen was en is nog altijd mijn club. Maar het werd geen succes. Ik kon er steeds minder goed tegen dat de spelers er niet alles voor over hadden. Dat ze afschreven voor trainingen en voor wedstrijden. Dan kwam ik bijvoorbeeld thuis van mijn werk, stond mijn hele mailbox weer vol met afschrijvingen en stond ik ’s avonds met 6 spelers op het trainingsveld. Bij Oranje Wit en Maasdam waren er dat 28! In november 2014 had ik er genoeg van. Ik ben abrupt gestopt als trainer van Strijen en ben het daarna nooit meer geworden. Ik had er genoeg van. Mijn trainerslicentie heb ik bewust laten verlopen, dus clubs hoeven mij niet meer te bellen. Ik wil geen trainer meer zijn, niks meer doen in de voetballerij. Het is goed geweest zo.’

Een stekelig vraagje tot slot: Ben je als trainer wel met je tijd meegegaan?
Piet: ‘Misschien niet, nee. Dan speelt mijn verleden als militair daar kennelijk toch weer een rol bij, vermoed ik. Het is de gebrekkige mentaliteit, de povere instelling, het laat maar waaien van spelers waar ik als trainer steeds minder mee kon leven.  Ik heb groot respect voor iemand als Dick Advocaat. Die weet op ver gevorderde leeftijd nog altijd alles uit de spelers te halen en gaat prima om met die jonge gastjes. En dichterbij huis waardeer ik het ook enorm wat een trainer als Geert Meijer bij Strijen doet. Of Henk Dirven bij SSS. Echt, petje af voor hen. Maar zo zit ik dus niet in elkaar. Ik heb fijne jaren meegemaakt als trainer, maar het is genoeg zo. Ik ga nu in het weekend overal kijken met een maat van me. Dat is ook leuk. En vooral lekker rustig.’

Laat een antwoord achter