Oude Glorie (6) Maarten Mulder (Overmaas): ‘Alleen Beb Bakhuys kopte beter dan ik’

0

Oude Glorie. Dit is een rubriek van VoetbalRotterdam die regelmatig verschijnt. De ene keer wordt een voetballer of trainer uit lang vervlogen tijden belicht, de andere keer is er een verhaal met een erelid, een lid van verdienste of iemand anders die zich voor zijn club verdienstelijk heeft gemaakt.

Aflevering 6 gaat over Maarten Mulder, die volgende week 87 jaar oud wordt. Maarten scoorde vanaf 1950 20 jaar lang als midvoor van Overmaas de ene goal na de andere. We hebben Maarten opgezocht in Rotterdam IJsselmonde en met hem gesproken, in aanwezigheid van zijn zoon Mathieu, die af en toe de herinneringen mee hielp ophalen.

Hoe kwam je bij Overmaas terecht?
Maarten: ‘Ik werd lid in januari 1946 toen ik 12 jaar oud was. Eerder mocht toen nog niet. Mijn vader, die een paar maanden daarvoor uit Duitsland was teruggekeerd omdat hij daar door de bezetter verplicht tewerkgesteld was, zei dat ik maar bij Overmaas moest gaan voetballen. Want daar speelde al een aantal familieleden. En wat je vader je zegt, dat doe je. Nadat ik lid was geworden werd ik ingedeeld bij de C2. Tuus de Hek was mijn eerste leider.’

In de jeugd ging het voortvarend met je, want je scoorde aan de lopende band.

Maarten: ‘Dat klopt. Toen ik jaren later in de A voetbalde, raakte Arie Dorpmans, al vele jaren de midvoor van het eerste elftal, geblesseerd aan zijn knie. Dat was halverwege het seizoen en Arie was noodgedwongen te stoppen met voetballen. Bij het eerste moesten ze dus een nieuwe spits hebben. ‘Waarom neem je die lange van de A1 niet’, zo vroeg Cor Pruiser zich hardop af. Cor zat in de elftalcommissie, binnen een vereniging in die dagen een belangrijk onderdeel. Zij bepaalden wie er in aanmerking kwam voor het eerste elftal. Ik werd bij het eerste elftal gehaald. Zeventien jaar oud was ik. Piet Smits was toen de trainer van Overmaas, die had voor de oorlog bij Feyenoord in het eerste elftal gevoetbald. Mijn allereerste wedstrijd in het eerste van Overmaas was tegen Scheveningen. We verloren met 3-2, maar ik maakte wel een doelpunt.’

Moest je daarna weer terug naar de A-tjes of bleef je bij het eerste elftal?

Maarten: ‘Ik ben sinds die wedstrijd tegen Scheveningen speler van het eerste elftal gebleven. Ben er nooit meer uit geweest. Tot mijn 37e was ik de spits van Overmaas.’

In welke klasse speelde Overmaas toen?

Maarten: ‘In de tweede klasse, maar we konden ons niet handhaven en niet zo lang daarna degradeerden we naar de derde klasse. Na zes jaar in de derde klasse keerden we terug in de tweede klasse en het tweede seizoen daar eindigden we samen met Neptunus bovenaan. Neptunus had een heel jaar bovenaan gestaan, met behoorlijk wat punten voorsprong maar op het einde van het seizoen verloren ze een paar keer. Wij bleven winnen en op het einde van competitie stonden we samen bovenaan. Een beslissingswedstrijd moest uitmaken wie kampioen zou worden. Die wedstrijd werd gespeeld in de Kuip op Hemelvaartsdag 1962. Er waren 20.000 toeschouwers. Het was een ongelooflijke happening. Het was is wat ik nooit meer vergeten ben, vooral ook omdat we wonnen. Met 3-1 en een van die goals was van mij. Overmaas ging door die overwinning naar de eerste klasse, destijds het allerhoogste amateurniveau. We hebben jarenlang op dat niveau gespeeld tegen clubs als CVV, De Musschen, VUC, Roodenburg, Papendrecht, UVS en Laakkwartier. Het mooie van die tijd is dat je elk jaar tegen dezelfde spelers voetbalde, want er was weinig verloop bij de clubs. Je kende je tegenstanders daardoor vrij goed, ook persoonlijk. Dat was erg leuk. Leuk was ook dat ik al die jaren in de eerste klasse aanvoerder was, want na afloop van die gewonnen beslissingswedstrijd tegen Neptunus was Joost Versluis naar me toe gekomen, nog op het veld. Die was bij Overmaas jarenlang aanvoerder geweest en zei tegen mij dat hij ging stoppen en dat ik de nieuwe aanvoerder zou worden. Ja, zo gingen de dingen in die tijd.’

En bleef je in de eerste klasse ook scoren?

Maarten: ‘Ja. Er waren jaren bij dat ik meer dan 40 doelpunten maakte, maar kampioen zijn we nooit meer geworden.’

Wat voor spits was je?
Maarten: ‘Ik stond altijd op de goede plek. Ik kon alleen maar scoren als de ballen van de flanken goed aankwamen. Als die niet kwamen, was ik niet de makkelijkste. Dan zei ik er wat van. Ik heb jarenlang samengespeeld met Jan Smidt en die had een perfecte voorzet. Ik moet meer dan 500 doelpunten in het eerste elftal gemaakt hebben. Dat werd vroeger allemaal heel nauwkeurig bijgehouden, maar helaas is bij een opruiming dat archief zoekgeraakt. Maar meer dan 500 goals moeten het wel geweest zijn en meer dan de helft daarvan heb ik met de kop gemaakt. Als kind kopte ik al hele middagen een balletje tegen de muur van de gymzaal bij ons in de Kegelstraat. Mensen verklaarden me wel eens voor gek, maar later heb ik van die oefeningen veel profijt gehad. Ik kopte wel eens ballen binnen van de rand van de zestien, zoals hier op de foto tegen RKWIK. Die kopbal was snoeihard en meteen na die goal kwamen de keeper en mijn directe tegenstander op me af en feliciteerden me waarderend met dat doelpunt. Dat was wel mooi. Het publiek stond altijd op de banken. Er was in Nederland maar één voetballer die beter kopte dan ik en dat was Beb Bakhuys.’

Maarten Mulder scoort met een kopbal tegen RKWIK

Was er nooit een mogelijkheid om hogerop te gaan voetballen?

Maarten: ‘Feyenoord had belangstelling. Het waren vooral Fred Blankemeijer en Lou Martens, de vader van Maup, die mij vertelden dat ik bij Feyenoord moest komen voetballen. Zij hadden mij zien spelen in het Rotterdams elftal en in het elftal van de linker maasoever dat toen nog bestond. Bij Feyenoord zou ik 80 gulden voor een overwinning krijgen. Bij Overmaas kreeg ik niets. Al die jaren nooit ene gulden. Alleen mocht ik af en toe schoenen gaan uitzoeken bij de sportzaak van Van der Linden aan de Dordtselaan. Met Feyenoord is het trouwens niets geworden, want ik moest 18 maanden in dienst. Ik was gelegerd in Den Bosch, voetballen bij Feyenoord zat er toen niet meer in. Na een wedstrijd met Overmaas in Essen had die Duitse club ook interesse. Ik kon er een mooi contract krijgen, maar Duitsland lag in de familie heel gevoelig. Mijn vader was tijdens de oorlog in Duitsland tewerkgesteld en mijn vrouw was een schipperskind. Het schip van haar ouders was in de oorlog in Düsseldorf aan de ketting gelegd, daar hebben ze verschrikkelijke dingen meegemaakt. Voetballen in Duitsland ging het dus niet worden. Ik ben al die jaren bij Overmaas gebleven. Dat had ook wel te maken met de druk van de leden. ‘Jij gaat niet weg, jij hoort bij Overmaas’, hoorde je altijd. Ach, ik heb het al die jaren goed naar mijn zin gehad, hoor. Ik was toch wel verknocht met de club.’

Mathieu: ‘Overmaas was in de jaren ‘70 een echte familieclub. Ze voetbalden op Varkenoord en hadden ongeveer 1500 leden. En die kwamen op zondag allemaal naar Maarten Mulder kijken.’

Je hebt tot je 37e in het eerste elftal gevoetbald? Wat heb je daarna gedaan?

Maarten: ‘Ik was al aan het afbouwen en speelde in het derde elftal. Omdat het met het tweede elftal niet goed ging, heb ik daar een paar wedstrijden meegedaan. Totdat ze veilig waren. En toen had het eerste mij ook nodig, want daar ging het ook niet best mee. Of ik nog een paar wedstrijden mee wilde doen, vroegen ze. Ik zei: ‘Dat wil ik alleen als jullie heel de voorhoede van het tweede ook opstellen’.  Dat deden ze en zo vormden Aad van der Most, Piet Koppenaal en Co Goudriaan en ik toen de voorhoede van het eerste elftal. En we bleven er in. Toen was het genoeg. Ik stopte met voetballen en werd trainer, want de papieren had ik inmiddels al gehaald.’

Wat was je eerste club?
Maarten: ‘Dat was Wit-Rood-Wit uit Brielle en het was op een heel aparte manier dat ik daar terechtkwam. Paul Thomas, die vroeger voorzitter van Overmaas was geweest, zei dat ik trainer van Wit-Rood-Wit zou worden. Dat had hij allemaal al geregeld met het bestuur van die club. Nee, Teun van de Berg was toen nog geen voorzitter. Die was nog secretaris. De club had 20 jaar in de RVB gevoetbald, maar was daarvoor eigenlijk te goed. Want ze hadden prima spelers. Het eerste jaar dat ik er trainer was promoveerden we naar de KNVB. Groot feest natuurlijk. Mooi hoor, op de platte kar door Brielle. Later ben ik nog trainer geweest van Zuiderpark, Tediro, Egelantier Boys, Nestoro en van MASK, een bedrijfselftal van Piet Smit. Veel bedrijfselftallen speelden toen nog bij de KNVB competitievoetbal.’

Wat voor trainer was je?
Maarten: ‘Niet zo veeleisend, hoor. Het enige wat ik wilde van de spelers was dat ze op het veld hun best deden. ‘Laat zien wat je kan en als het voetballend niet lukt, vreet dan in ieder geval het gras op’, zei ik. Ze moesten hun mouwen opstropen en gaan.’

Tot slot: wat vind je van het huidige voetbal?
Maarten: ‘Ja, ik ga wel eens kijken. Niet elke week, maar als Mathieu me thuis oppikt, ga ik met hem mee. Naar Overmaas, maar ook naar andere clubs. Naar Slikkerveer, Bolnes onder meer. Het voetbal is wel anders dan vroeger. Het lijkt soms wel alsof voetballers niet altijd even veel zin hebben. Ze zouden meer moeten bewegen, want voetballen doe je vooral zonder bal. Je moet vrijlopen, gaten trekken, meters maken. Zo’n Robin van Persie was een hele goede speler hoor, maar hij had wel iets meer kunnen bewegen in het veld. Ik heb bij Overmaas trouwens nog met de opa van Robin van Persie samen gevoetbald. Wim Ras heette hij en hij was onze keeper. Tijdens een wedstrijd had hij de bal en trapte hem heel ver uit. Die bal kwam bij mij terecht en ik schoot hem meteen bij het andere doel in de kruising. Kwam hij juichend naar me toe en zoende me op beide wangen. ‘Nu hebben we samen een goal gemaakt’, glunderde hij.

Laat een antwoord achter