Ondanks de nederlaag tegen Jong Vitesse afgelopen zaterdag heeft hij zijn eerste seizoen als trainer van Excelsior Maassluis afgesloten met een tweede plek in de tweede divisie. Er resteert nog een halve finale voor de Voetbal Rotterdam Cup tegen Smitshoek en als die gewonnen wordt ook nog de finale tegen de winnaar van de wedstrijd Brielle-Excelsior’20, maar toch willen we nu al met Dogan Corneille terugblikken op zijn eerste jaar bij de tweededivisionist uit Maassluis.
Een paar weken geleden zei je in het AD dat je als trainer net zo goed bent als je selectie. Maar een trainer die niet goed is zal met goede spelers toch geen tweede worden in de tweede divisie?
Dogan: ‘Nee, dat niet. Als je als trainer geen goed verhaal hebt, als je geen klik krijgt met je spelers, dan zakt het niveau een level. Misschien wel twee.’
Hoe heb je het voor elkaar gekregen dat die klik er wel snel kwam?
Dogan: ‘Ik heb Excelsior Maassluis vorig seizoen zes, zeven keer zien spelen en dan kan je wel een sterkte-zwakte-analyse maken. Bovendien heb ik vooraf met heel veel mensen gesproken over de ploeg. Met Cesco Achterberg onder meer, met mijn voorganger Jeroen Rijsdijk, met assistent Barry de Vreede. In grote lijnen gingen die gesprekken er over wat ik kon verwachten, waar de valkuilen voor het team lagen. Details over spelers wilde ik niet weten, dat wilde ik zelf ervaren als ik eenmaal met hen ging werken. Met de informatie die je krijgt uit die gesprekken en met de indrukken van de wedstrijden die je zag vorm je je een beeld en dan ga je aan de slag. Wat goed is, daar moet je afblijven. Een voorbeeld? De organisatie op het veld. Hoe de spelers staan als je aanvalt, hoe ze staan bij balverlies en hoe het staat als je verdedigt. Dat was onder Jeroen Rijsdijk goed voor elkaar en eigenlijk was dat ook al zo toen John de Wolf hier trainer was. Het team speelde compact, maakte de ruimtes klein. Aan die organisatie ga je dus als nieuwe trainer niet veel veranderen. Maar ik had wel een andere spelopvatting. Onder Jeroen lieten ze het initiatief vaak aan de tegenstander, ik wilde meer vooruit verdedigen en ook meer het accent op de aanval leggen. Zulk spel past meer bij mijn visie. Hoe kunnen we het los laten dat we allemaal achter de bal kruipen? Dat was de vraag waar het om ging. Het kost tijd en energie om dat te veranderen en dat kan pas als de ploeg er ook van overtuigd is dat het kan. Daar train je dus op, daar praat je met elkaar over. Het gaat daarbij niet over systemen, maar over spelprincipes. Die slijt je er in, want dat maak je trainbaar. Ik heb daar best wel op staan drillen. De formatie is belangrijk en dan kom ik weer terug op iets wat hier al jaren goed is: de organisatie op het veld. Van daaruit kun je de accenten gaan verleggen en dat is wat we gedaan hebben. Je kunt als trainer wel ter plekke iets omgooien waardoor je een wedstrijd alsnog wint, maar het gaat er ook om dat je spelers hebt die zien wat er moet gebeuren. Spelers die kunnen omschakelen als dat nodig is. Die spelers hebben we en ik vind dat je vrijheid moet bieden. In de wedstrijdbespreking leg ik met het magneetbord uit waar de kracht van de tegenstander ligt en waar de zwakte. Daar heb je afspraken over, maar spelers mogen er wel een eigen invulling aan geven. Als je als trainer alleen maar zegt dit moet en dat moet en dat mag niet, dan werkt het niet. Wat dat betreft heb ik als trainer veel geleerd bij Willem II, waar ik assistent ben geweest.’
Geef eens een voorbeeld waaruit blijkt dat de ploeg anders is gaan spelen.
Dogan: ‘Veel voetballers spelen een bal af om hem terug te krijgen. Dat zie je overal op de voetbalvelden. Maar daardoor is er wel weinig beweging in een ploeg. Er moeten altijd en in elke situatie spelers zijn die lopen zonder dat ze de bal krijgen, vind ik. Er moet altijd een derde man zijn, vaak ook een vierde man, want dan blijf je verrassend omdat de tegenstander niet weet wat je gaat doen, waar die bal heen gaat. Ik heb hier heel veel op getraind, er veel met de spelers over gesproken. Als je nooit loopt, komt die bal ook nooit, heb ik gezegd. Ja, dat is wel iets wat ik heb toegevoegd aan dit team. Een ander punt was dat we anders moesten gaan spelen omdat Kevin Vink niet meer beschikbaar was. Dat was aan het einde van vorig seizoen al zo, dus de ploeg was al bezig om zich hierop in te stellen. Dit jaar hebben we daar meer werk van gemaakt. We hadden Vincent van den Berg in de spits, maar dat is een heel andere voetballer dan Kevin, kleiner ook. Dan moet je iets anders gaan doen. Het team moest zich dus aan deze verandering aanpassen. Niet alleen ballen vanaf de zijkant, maar met meer variatie spelen.’
Je bent achter AFC tweede geworden. Beantwoord je daarmee aan de doelstellingen?
Dogan: ‘Het gekke is dat ik tijdens de gesprekken die ik met het bestuur heb gehad voordat ik hier als trainer aangesteld werd zelf heb gevraagd wat de doelstelling van de club was. ‘Hoe sta jij daarin? Wat is de jouwe’, werd de vraag meteen teruggekaatst. Ten tijde van deze gesprekken stond Excelsior Maassluis op de zevende plek met 37 doelpunten voor en 27 tegen. ‘Als we er nu eens naar gaan streven dat we minimaal 20 doelpunten meer gaan maken en er door die meer aanvallende speeltijd voor zorgen dat we niet meer dan 10 goals meer tegen krijgen, dan zullen we hoger eindigen dan die zevende plek’, zo antwoordde ik. Dat vonden ze een goede gedachte. Deze doelen zijn bereikt, die tweede plek had ik ook niet verwacht. Ik ben tevreden, maar toch ook niet helemaal. We zijn kampioen geworden van de tweede periode en in de derde zijn we ook hoog geëindigd. Dat is heel mooi, maar volgend seizoen moeten we ook in de eerste periode verder bovenin eindigen. We moeten dus stabieler worden.’
En volgend seizoen meedoen om de titel?
Dogan: ‘Ho, ho, ho. Ploegen als Kozakken Boys, Katwijk, Rijnsburgse Boys, GVVV, Spakenburg en IJsselmeervogels hebben een teleurstellend seizoen gedraaid en zullen zich willen versterken, neem ik aan. Er komt een hele zooi voetballers uit het betaald voetbal vrij en die clubs zullen deze spelers wel in gaan lijven. Volgend seizoen weer zo hoog eindigen zal lastig worden. En voor de titel spelen is voor Excelsior Maassluis qua begroting niet realistisch. Het bestuur zal ons nooit die druk opleggen. Maar kampioen worden is hier al wel eens gelukt en waarom zou dat niet nog eens lukken? De druk van zo hoog mogelijk eindigen wil ik mezelf wel opleggen en de ploeg dus ook. Maar vooraf zeggen dat we voor de titel gaan, nee dat kan niet.’








Lastig maar niet onmogelijk