Giovanni Franken: ‘Of je als trainer functioneert hangt af van de voetbalintelligentie van het technisch kader’

5

Nadat hij bij Achilles Veen als trainer ontslagen werd, nam hij een maand of vier radiostilte in acht. Dat accepteerden wij van VoetbalRotterdam, maar omdat we vonden dat het toch tijd werd hem weer eens aan het woord te laten omdat hij altijd wel een zinnig verhaal heeft te vertellen, benaderden we hem met het verzoek om de tafel te gaan zitten. Daar stemde hij graag mee in. ‘Jij bent de eerste journalist waarmee ik praat sinds mijn vertrek bij Achilles Veen’, zegt Giovanni Franken als we aangeschoven zijn. We willen niet met hem praten over dat vertrek bij Achilles Veen, ook niet hoe het gaat bij FC IJsselmonde, dat hij tot het einde van het seizoen als trainer onder zijn hoede heeft. Nee, we willen zijn visie op het voetbal weten en ook hoe hij dat projecteert op zijn omgang met een spelersgroep en alles wat daarbij komt kijken. Kortom, wat is Giovanni Franken voor een trainer?

‘Ze zeggen wel eens dat je als trainer zo goed bent als het materiaal dat je op het veld hebt staan, maar daar ben ik het niet mee eens’, zo steekt hij van wal.’ Het gaat veeleer om de voetbalinhoudelijke intelligentie van het technisch kader om je heen. Dat is op elk niveau, bij elke club van groot belang. Als trainer ga je namelijk met je spelers aan de slag, je probeert hen beter te maken. Dat heeft tijd nodig. De ene speler verbetert zich al na drie maanden, maar een ander heeft een jaar nodig en misschien wel meer. Het gaat om die talentontwikkeling ten opzichte van de tijd die verstrijkt. Krijg je die tijd als trainer? Ziet het technisch kader, zien de mensen van de technische commissie de ontwikkeling die spelers doormaken? Of kijken ze alleen maar naar de uitslagen en zetten ze je onder druk als je een paar keer verliest? Dit alles bepaalt in grote mate hoe je als trainer kan functioneren, meer nog dan de kwaliteiten van de spelers.‘

‘Die spelers zijn natuurlijk ook belangrijk, want met hen ben je altijd bezig op het veld. Daarom moet je als trainer zo snel mogelijk alles van je spelers weten. Waar komen ze vandaan? Hoe is hun gezinssamenstelling? Zijn ze getrouwd, wonen ze samen? Hebben ze kinderen? Hebben ze broers of zussen? Zijn ze afkomstig uit een gezin met tien kinderen of zijn ze enig kind? Die informatie krijg je vaak vooraf uit tweede hand, van direct betrokkenen als de technische commissie van een club, van bestuursleden, maar ook van supporters. Die informatie vul je zelf aan door met je spelers te praten als je eenmaal aan de slag gegaan bent. Dan weet je ook wat elke speler goed kan, waar zijn kwaliteiten liggen. Dat moet je als trainer zelf achterhalen en wat ze je dan verteld hebben, daar moet je je niet meer door laten leiden. Ik had ooit bij een club een jongen die al jaren in het eerste voetbalde, een echte nummer 10, zo vertelden ze mij vooraf. Ze zeiden er bij dat het een moeilijke jongen was, een speler die er wel eens de kantjes van af loopt en vaak kaarten pakt. Toen ik die jongen eenmaal beter leerde kennen omdat ik met hem trainde en hem in wedstrijden zag spelen, zag ik dat zijn niveau veel hoger was dan de andere spelers in het team. Als dan iets niet lukte wat hij in gedachten had, raakte hij geïrriteerd en pakte daarom kaarten. Hij zou zijn leiderschapskwaliteiten op een andere manier aan kunnen wenden, vond ik en daarmee ben ik met hem aan de slag gegaan. Want zijn spel, zijn extra kwaliteiten had het team nodig en op deze manier kwam het er niet uit.’

‘Het team is altijd het uitgangspunt en alle spelers moeten hun specifieke kwaliteiten in dienst van het team leren stellen. En die kwaliteiten zijn bij elke speler weer anders. De een heeft een hele goede techniek, een ander is tactisch erg sterk en ziet altijd snel oplossingen op het veld. Weer een ander heeft een hele goede mentaliteit en er zijn ook spelers met een perfecte conditie, jongens die altijd  kunnen blijven gaan. Wat heeft het team nodig, zo stel je je als trainer altijd de vraag. Ik ben een positief ingestelde trainer. Ik heb het met mijn spelers liever over die negen dingen die ze in de wedstrijd goed gedaan hebben dan dat ik benadruk wat fout gegaan is. In een bespreking met de spelersgroep van RVVH had ik eens de ranglijst op een groot vel papier geschreven, met daarin bewust een fout. Ik had een ploeg namelijk te veel doelpunten gegeven. Dat werd meteen vastgesteld door de spelers. Ze hadden het over die ene fout van mij en ze hadden het niet over hetgeen ik wel goed vermeld had. Daar hadden ze ook iets van kunnen zeggen, maar dat deden ze niet. ‘Kijk, nu hebben jullie als trainer mogen denken en nu hebben jullie het alleen over die ene fout. Wat zouden jullie er van vinden als ik dat altijd zou doen?’, zo zei ik tegen hen.‘

‘Als je een sport op een competitief niveau beoefent wil je winnen en als het een teamsport zoals voetbal is, dan moet je het samen zien te winnen. Dat winnen moet de grondgedachte zijn, daar doe je het voor. In een wedstrijd ben je als speler effectief maar kort aan de bal, vaak niet meer dan twee, drie minuten. Meer dan 85 minuten van een wedstrijd ben je als speler dus niet aan de bal en als je de bal niet hebt, dan moet je actie ondernemen. Samen met je medespelers die de bal ook niet hebben moet je je zo formeren dat de tegenstander geen kwaad kan doen en als je als ploeg de bal wel hebt, moet je ook in beweging zijn, gaten trekken en ruimte creëren. Dat vereist een hele goede conditie, kijk maar hoe goed functionerende topteams het doen. Die jagen als ploeg op de bal. Kijk naar hoe Ajax speelde tegen Juventus. Kijk naar Barcelona, naar Manchester City, naar Atletico Madrid. Ik probeer heel veel kennis op te doen. Ik lees veel, ik kijk alles, want ik wil alles weten van trainers als Guardiola, Simeone, Bielsa, Sarri, Ten Hag en daar mijn voordeel mee doen. Ik slurp alles op omdat ik als trainer verder wil groeien.’

‘Wat ik als trainer wel vind is dat spelers zich niet moeten laten beïnvloeden door omstandigheden. Of het nou koud is of bloedheet, of het veld kletsnat is of juist kurkdroog, dat moet geen verschil maken. Ook niet of je veel kritiek hebt gehad of juist niet. Het gaat om de intrinsiek. Ik ben als trainer altijd op zoek naar de intrinsieke waarde van elke speler. Wat hij uit zichzelf doet, of hij zijn kwaliteiten aanwendt. Het moet als speler uit je zelf komen en een trainer kan en moet er voor zorgen dat dit gebeurt. Want je wil altijd winnen, ook als je hoger speelt en winnen misschien niet vanzelfsprekend meer is. Op winnen stem je je trainingen af. Je creëert dan omstandigheden waarin je als trainer ziet wie iets kan en wie niet. Je ziet wat de sterke punten bij elke speler zijn en die probeer je vervolgens nog sterker te maken. Dat heeft tijd nodig, maar of je die tijd krijgt hangt dan weer af van de voetbalintelligentie van het technisch kader van de club waar je werkt. Dat kan dus wel eens spaak lopen, dat heb ik de jaren dat ik nu trainer ben wel gemerkt. Als ik in de toekomst weer bij een club aan de slag ga, moet ik weten hoe de technische mensen over dit soort zaken denken, wat zij daarvan denken in combinatie met de eisen die zij aan je stellen. Daar moet ik mijn ei in kwijt kunnen en daarbij wil ik niet te veel concessies doen.’

5 REACTIES