Scheidsrechter zijn is leuk (62): Harry Hamer

Omdat in verslagen van voetbalwedstrijden de scheidsrechter vaker negatief genoemd wordt dan positief, heeft VoetbalRotterdam.nl gemeend een rubriek te moeten maken waarin een scheidsrechter of een assistent scheidsrechter zichzelf aan u voorstelt en een blik verschaft achter de man of vrouw in het scheidsrechter pak.

Hiermee proberen wij de afstand tussen arbitrage en spelers wat te verkleinen en meer begrip te kweken voor als er eens een (onvermijdelijk) foutje wordt gemaakt.

Vandaag heeft Arie van den Bulk de 50-jarige Harry Hamer uit Rotterdam gevraagd een elftal vragen te beantwoorden:

  1. Hoelang ben je al als scheidsrechter en/of assistent scheidsrechter actief?

Een jaar of twaalf. Ik ben begonnen als clubscheidsrechter bij de jeugd van Germinal, dat later na een fusie AVS-Germinal werd en vervolgens AGE. Ik floot meestal de junioren, maar ook dames en oefenwedstrijden van de herenselectie. Doordat ik het zo leuk vond en het mij – volgens anderen – goed afging, ben ik al snel ook wedstrijden bij andere verenigingen in de buurt gaan leiden, zoals Zestienhoven, VVOR en SV Ommoord, de club waar ik als jochie ooit begon met voetballen. Vijf jaar geleden ben ik voor de KNVB gaan fluiten. Ik zit nu in groep ZOSF (tweede en derde klas) en ben momenteel bezig met de cursus SO II.

2. Wat is je leukste herinnering als scheidsrechter of assistent scheidsrechter en waarom?

Dat zijn er vele, maar ik wil er twee noemen. Als clubscheidsrechter van AGE kwam er ooit na een jeugdwedstrijd een ouder – of grootouder, dat kan ook – van de bezoekende partij de commissiekamer in, waar ik nog zat uit te blazen. Zijn elftal had zojuist verloren en ook al was dat naar mijn overtuiging niet aan mij te wijten, schrok ik toch even toen hij zich over de tafel boog met de woorden: ‘Scheidsrechter, ik wil u even wat vertellen.’ Ik dacht: Nu gaan we het krijgen. Het bleef een seconde stil, en toen zei de man: ‘U heeft werkelijk voortreffelijk gefloten! En vooral ook zo eerlijk. Hartelijk dank, mijn complimenten…’

Een tweede bijzondere herinnering was aan het eind van vorig seizoen. Voor mijn werk als journalist van Voetbal International had ik een interview met oud-prof Ali Boussaboun. Twee dagen voor de afspraak kreeg ik mijn nieuwe aanstelling binnen: FC Zoetermeer 1–Stolwijk 1. En wie was de aanvoerder van Zoetermeer? Inderdaad, Ali Boussaboun. Ik heb hem pas na het interview verteld dat we elkaar anderhalve week later weer zouden zien, maar dan beiden in een andere rol. Hij kon het eerst niet geloven, maar het was toch echt zo. De wedstrijd had weinig belang meer voor de ranglijst, maar na afloop kreeg ik wel complimenten van Boussaboun. Zowel voor het interview als voor mijn leiding. Altijd leuk om te horen.

3. Waarom ben je destijds begonnen met het scheidsrechteren?

Ik was altijd al geïnteresseerd in de arbitrage en vond, zoals zoveel voetballers, dat veel scheidsrechters bij mijn eigen wedstrijden er weinig van bakten. Vaak dacht ik: Volgens mij kan ik dat zelf beter. Maar dat kun je wel denken, je moet het vervolgens ook laten zien. Dat ging de eerste keer volgens het klassieke verhaal: op een druilerige zaterdagmiddag was er bij Germinal geen scheidsrechter voor de wedstrijd van B1, waarop ik aanbood – ik was er toch nog – die taak op me te nemen. Ik had er meteen plezier in en ben daarna steeds vaker gaan fluiten.

4. Wat zou je als scheidsrechter of assistent scheidsrechter nog graag willen bereiken?

Voor het betaalde voetbal ben ik al veel te oud (los van de vraag of ik er de kwaliteiten voor heb), maar ik wil gewoon een zo hoog mogelijk niveau bij de amateurs halen. Als ik eenmaal ben gestopt op het veld, zou ik graag VAR worden.

5. Wat is volgens jou een goede scheidsrechter en aan welke eisen moet een goede scheidsrechter voldoen?

Je hoort vaak dat een goede scheidsrechter niet opvalt. Vind ik onzin. Een goede scheidsrechter kan wel degelijk opvallen, maar dan natuurlijk wel in positieve zin. Hij moet uiteraard een scherpe blik, een goede spelregelkennis en dito conditie hebben, maar ook plezier uitstralen, goed communiceren en de wedstrijd aanvoelen om ’m te kunnen managen, zoals dat tegenwoordig heet. Voor dat laatste is het mijns inziens een pre, zo niet noodzaak, dat je zelf op niveau (minimaal een standaardelftal) hebt gevoetbald. Je moet – eigenlijk net als een trainer – soms tússen de spelers staan, maar op de belangrijke momenten erboven. Een natuurlijke autoriteit hebben: de baas zíjn in plaats van de baas spelen.

6. Wat is voor jou de meest aansprekende scheidsrechter in het Nederlandse betaalde voetbal en waarom?

Poeh, dat is een lastige. Ik ga dan toch voor Bas Nijhuis, omdat hij mannelijk laat voetballen – al slaat hij daarin soms door – en het toch zelden of nooit uit de hand loopt bij hem. Dat heeft vooral met zijn uitstraling, humor en communicatie te maken.

7. Welke wedstrijd heb je als laatste geleid en wat vind je van je eigen prestatie in die wedstrijd?

De laatste wedstrijd voor de winterstop die ik leidde, was TOGB 2–HBS 2 (Reserve Hoofdklasse). Een waar spektakelstuk, waarbij ik blééf schrijven: ruststand 3-3, eindstand 4-5, vijf gele kaarten. Ik vind het altijd lastig van jezelf te zeggen dat je goed hebt gefloten, maar als je na afloop ook van de verliezende partij – op een enkeling na – complimenten krijgt, geeft dat een lekker gevoel.

8. Wanneer heb jij na afloop van een wedstrijd een tevreden gevoel?

Zie hierboven. Voor de winnaar is het niet moeilijk te zeggen ‘Goed gefloten, scheids’, maar als de verliezer dat doet – zonder cynische ondertoon – weet ik zéker dat ik het goed heb gedaan.

9. Zijn er spelregels of andere richtlijnen die jij graag veranderd zou zien en zo ja waarom?

Ik zou graag zien dat er zuivere speeltijd wordt ingevoerd, zodat het irritante tijdrekken geen nut meer heeft. Ja, dan duurt een wedstrijd wat langer, maar een echte liefhebber vindt dat niet erg. Maak er desnoods 2 x 35 minuten van, maar dan wordt er tenminste zeventig minuten echt gevoetbald. Nu is dat – op het hoogste niveau in elk geval – soms maar vijftig minuten… Zó jammer voor het publiek en de tv-kijkers!

Daarentegen mogen de wat mij betreft onzinnige regeltjes zoals de kleur van de kousenbandjes en slidingbroeken worden afgeschaft. Wie heeft er nou last van als je bijvoorbeeld een zwarte slidingbroek draagt onder een blauw voetbalbroekje? De spelers dragen toch ook verschillende kleuren schoenen?

Verder blijft het voor mij nog steeds vreemd dat ik bijvoorbeeld het uittrekken van een shirt na een doelpunt – waarmee je in principe niemand pijn doet – op dezelfde wijze moet bestraffen als een onbesuisde overtreding…

10. Wat vind jij van de kwaliteit van de Nederlandse arbitrage in het algemeen?

Die is helemaal zo slecht niet als soms wordt geroepen. In elk land heb je goede en minder goede scheidsrechters, zoals je in élk beroep of élke hobby verschil in kwaliteit hebt. Ik zie regelmatig ook in grote voetballanden als Engeland, Duitsland en Spanje rare arbitrale beslissingen. Maar ik zeg altijd (nu ik aan de andere kant sta): Scheidsrechters maken fouten, voetballers nog veel meer.

En ik ben ervan overtuigd dat als je met de huidige techniek en het huidige aantal camera’s wedstrijden van pakweg dertig, veertig jaar geleden zou terugkijken, je zou zien dat de topscheidsrechters van toen net zoveel fouten maakten als hun opvolgers nu doen. Er werd alleen minder herhaald en minder over gepraat op tv, dus viel het minder op.

11. Welke wedstrijd zou jij heel graag willen leiden?

De WK-finale! En nu realistisch: elke derby met veel publiek en spanning, waar dan ook in Nederland, is mooi om te fluiten. Dit seizoen floot ik bijvoorbeeld Altior 1–DOSR 1, daar heb ik echt van genoten.