Column Jan Schoonen: Tim Schoonheijm (SC Feyenoord)

Een leuke wedstrijd op papier, je verwachtingen vooraf zijn hooggespannen en als er dan gevoetbald wordt valt het allemaal tegen. FC ’s-Gravenzande-SC Feyenoord was zo’n wedstrijd. Nou moet ik zeggen dat het weer afgelopen zaterdag ook niet erg meewerkte, maar van het vertoonde spel werd je in ieder geval ook niet warm. Het was op het veld zoals in en rond de bomen naast het sportpark van FC ’s-Gravenzande want daar vloog de hele middag een grote zwerm kauwen chaotisch en wanordelijk op en neer. In hun vlucht zat geen enkel patroon. Ze vlogen ka-ka-kraaiend alle kanten op. Slechts heel af en toe waren ze plots gegroepeerd allemaal hetzelfde aan het doen. Dan wendden en keerden ze tegelijkertijd dezelfde kant op, dan was het ineens wel fraai wat die vogels lieten zien.

Zo ging het op de grasmat ook. Hoezeer de coaches Raymond Frehe en Richard Elzinga ook hun manschappen poogden te sturen; lijn zat er slechts af en toe in. Er werd door de meeste spelers te lang gelopen met de bal, creativiteit was er niet of nauwelijks en passes over afstand kwamen vaak niet aan. Gestreden werd er wel. Op een zweetdruppel meer of minder keek niemand. Overal op het veld vonden duels plaats waarbij vaak door drie, vier man tegelijk op een kleine ruimte om de bal werd gestreden. En dan ineens, volkomen onverwacht was er ineens wel een veelbelovend flits van iets moois, zoals die kauwen in de lucht ook onverhoeds iets moois deden. Dan zat er plotseling wel lijn in. Op momenten dat Adil Akanioui met de bal aan de haal ging bijvoorbeeld. Of als Junior Obiku het op zijn heupen kreeg. Maar meestal verzandden ook hun acties.

Het was een soort veredeld vechtvoetbal, waarbij de verdedigers de overhand hadden en alle aanvallers het onderspit moesten delven. Verdedigend stond het goed, zouden trainers zeggen. Vooral bij de bezoekers was dat het geval en als de nood aan de man was, werd er niet geschroomd de bal over het dak van de tribune het sportpark uit te rossen. Jordy Dobber deed het voor rust een keer en in de tweede helft Sandin Avdic ook. Tussendoor dit alles draafde Tim Schoonheijm heen en weer, zaterdag getooid met de aanvoerdersband omdat Kris Adelmund er niet bij was. Tim is een voetballer die het instinct heeft om op het juiste moment op de juiste plek te zijn. Zo lukte het hem heel vaak om op het middenveld een bal te veroveren door op het juiste ogenblik het duel aan te gaan.

Fascinerend was overigens wel de manier waarop Tim zich over het veld bewoog. Rennende spelers  doen dan hetzelfde met hun twee armen. Die ledematen zwaaien op dezelfde wijze gebogen ritmisch heen en weer. Bij Tim is dat niet het geval. Zijn linkerarm, waar de aanvoerdersband om zat, hield hij altijd hoger dan zijn rechterarm en met die rechterarm zwaaide hij veel meer op en neer dan met zijn linkerarm. Tims armen bewogen als die zwerm kauwen in de lucht: a-ritmisch, verre van synchroon en verschillende kanten op. Het gaf hem iets speciaals, want zoals hij loopt en draaft en zijn armen daarbij meebeweegt, zo heb ik het nog nooit een speler zien doen.

De wedstrijd werd beslist met een plotse flits van Junior Obiku, die zich nabij de middenlijn ontdeed van zijn bewaker Ziko Özdemir, er meteen als een speer vandoor ging en onderweg Ruben de Groot passeerde alsof die er niet stond. Op de achterlijn legde Junior de bal terug. En wie dook daar op? Tim Schoonheijm natuurlijk, want die stond al de hele wedstrijd op de goede plek. Tim haalde droog uit en de bal verdween achter de kansloze doelman Danny Koning tegen de netten. Na die goal bleef SC Feyenoord met hard werken overeind. Met een gegroepeerde verdediging, met een tomeloze inzet, met strijd en onverzettelijkheid en met de kwaliteit om de bal in de ploeg te houden werden de drie punten in de wacht gesleept, ook al omdat de thuisploeg daar aanvallend te weinig tegenin kon brengen.  Zo sleepten de Rotterdammers drie punten in de wacht en daar viel wel iets voor te zeggen. Ik denk dat Tim dat ook wel vond.