Tijdens de competitiewedstrijd NSVV-SC Botlek op 30 september 2017 werd Jamal Abdalla van SC Botlek met een rode kaart van het veld gestuurd. Na een overtreding van zijn ploeggenoot Jordy de Winter ontstond er een opstootje en Jamal liep daar op af. ‘Daar aangekomen raakte ik met mijn onderarm een tegenstander’, vertelt hij. De arbiter zag het en gaf Jamal direct rood. Op het wedstrijdformulier verklaarde de leidsman naderhand dat die rode kaart gegeven was voor ‘een elleboogstoot (raak) tegenover een speler’.
Jamal ontving op 3 oktober een schikkingsvoorstel van 5 wedstrijden uitsluiting met daarbij de standaard mogelijkheid om tegen deze schorsing in beroep te gaan. Dat deed hij. ‘Een elleboogstoot was het niet, een slaande beweging evenmin. De tegenstander was in een duwende beweging met de onderarm op de borst geraakt, niet in het gezicht’, zo verklaarde hij. Een schorsing van 5 wedstrijden vond hij te veel, veel te veel.
Jamal diende op 13 oktober een verweerschrift in en ontving op 13 november een nieuwe brief, ditmaal van de aanklager van de KNVB. Daarin werd niet meer gesproken van een elleboogstoot maar van ‘gewelddadig handelen ten opzichte van een tegenspeler door deze krachtig/hardhandig met de elleboog en/of (onder)arm in het gezicht te stoten en/of te duwen’.
Hij kreeg opnieuw de mogelijkheid daartegen in beroep te gaan. Dat deed hij niet. Hij vond dat hij met zijn eerste verweerschrift al duidelijk genoeg was en liet dat de aanklager weten.
Een definitief oordeel is er vandaag de dag nog steeds niet. Jamal Abdalla: ‘Ik vraag me af waarom niet. Ik kan best leven met een schorsing van een wedstrijd of 2, maar 5 is te veel. Dat heb ik aangegeven. Ik was fout, maar ik heb niet geslagen. En zeker mijn elleboog niet gebruikt. In mijn verweerschrift ben ik duidelijk geweest. We zijn nu 56 dagen verder en ik weet nog altijd niet hoe dit af gaat lopen. Ik vraag me af waarom het allemaal zo lang duurt. Ik wil weten waar ik aan toe ben.’







