Eigenwijs wil hij zich niet noemen. ‘Voor eigenwijsheid is geen plaats als je trainer bent’, zegt Marco van Rijn, trainer van Rhoon dat afgelopen seizoen kampioen werd in de derde klasse D. Een eigen mening heeft hij wel. Een klein voorbeeldje dat hij in het gesprek geeft, onderschrijft deze constatering: ‘Trainers moeten om bij te blijven deelnemen aan bijeenkomsten en aan congressen’ vertelt hij. ‘Zijn jullie er weer voor je punten, wordt dan gevraagd. Nee, ik ben er niet voor mijn punten. Ik ben er omdat ik iets wil leren, iets wil opsteken want ik probeer mezelf te ontwikkelen. Veel trainers hebben die insteek niet. Die komen alleen voor de punten. Dat zijn in mijn ogen geen trainers, maar vertegenwoordigers. Zij onderhouden hun spelers, maar leren hen niets. Omdat ze te maken hebben met bestuurders die vaak geen verstand hebben van voetbal, hebben ze de wijsheid nog in pacht ook. Zulke trainers zijn feitelijk de éénogigen die in het land der blinden koning zijn. UEFA 3 zegt me niets, het begint pas bij TC 1. Maar dan nog; als je niet meegaat in de ontwikkeling, roest je vast.’
Hij geeft nog voorbeeld. Van een stagiair die op een werkplek komt en te maken krijgt met iemand met 25 jaar ervaring. Een man die al jaren hetzelfde doet, omdat dat goed gaat en helemaal niet van plan is daar iets in te veranderen. ‘Maar die man heeft dus eigenlijk maar 1 ervaring en staat niet open voor vernieuwingen en frisse ideeën die de stagiair misschien wel meebrengt’, vindt Marco. ‘Als trainer moet je constant anticiperen op situaties en juist daarom moet je open staan voor nieuwe ideeën. Maar veel trainers doen al jaren hetzelfde. Zij weten wat ze moeten doen, maar weten niet hoe ze dat moeten doen. En zij kunnen dat dus niet overdragen op hun spelers.’ En hij geeft een derde voorbeeld: ‘Ik word door sommige collega’s op zaterdagochtend gebeld met vragen over hoe een tegenstander speelt. Dat zijn dan trainers die mijn informatie kennelijk nog even mee willen nemen in hun wedstrijdbespreking. Maar in mijn ogen klopt dat niet. Waarom bellen ze pas zo laat? Bellen ze eerder, dan kunnen ze hun trainingen daarop toch aanpassen? Maar dat is misschien wel te veel gevraagd. Ik vind dat je een doel moet hebben, een helder idee. Je moet weten waar je naar toe werkt. Bij Rhoon weten we dat.’
Marco van Rijn is bij Rhoon met een helder plan bezig, heel stringent. ‘Ik heb afspraken gemaakt met mijn spelers. Niet alleen over hoe ze het voetballend op het veld moeten oplossen, maar ook over hun gedrag. Spelers die veel gele kaarten pakken, zet ik gewoon op de bank. Dit seizoen hebben we slechts 2 keer een speler gemist vanwege een schorsing. Dan kun je wel zeggen dat als je bovenaan staat je niet veel overtredingen nodig hebt, maar dat is mij iets te kort door de bocht. Mijn spelers zijn niet bezig met de scheidsrechters. Ik als trainer trouwens ook niet. Ik ben wel continu bezig om te kijken hoe het staat, waar de ruimtes liggen, hoe we voordeel kunnen halen uit de opstelling van de tegenstander en hoe we kunnen anticiperen op de situaties. Zo kregen we dit seizoen in een wedstrijd in een fase te maken met 4 middenvelders. Die ploeg hield op dat moment 3 man achter. Wij reageerden meteen door de lange bal te gaan spelen, over het middenveld heen. Reageren, anticiperen op situaties; we zijn er continu mee bezig.’
Marco vindt overigens dat een trainer er niet alleen is voor dit soort dingen. ‘Er komt tegenwoordig steeds meer op je af’, vindt hij. ‘Je bent niet alleen trainer, of coach, maar je hebt ook een rol als manager, naar het bestuur toe, naar de supporters, naar de sponsoren. En je bent peoplemanager, iemand die er is om problemen met spelers in de privésfeer te voorkomen, te bespreken en zo mogelijk op te lossen. Ik ben geen trainer die alleen maar wil onderhouden. Het gaat veel verder dan dat en dat maakt het trainersvak juist zo boeiend. En het spelletje zo leuk. Mijn spelers weten wat ze moeten doen op het veld. Ze weten hun eigen rol en weten ook wat hun ploegmaten moeten doen. En als het niet loopt zoals ik wil, dan grijp ik in. Dat is mijn rol. Hoe gaan we de tegenstander aanpakken? Op welke manier gaan wij zelf voetballen? Hoe gaan we om met de steeds veranderende situaties op het veld? Dat zijn de vragen waar het om draait. En als het niet gaat zoals je wil, moet je het niet bij je spelers zoeken. Dan moet je kijken naar wat je zelf als trainer kunt veranderen. Daarom is het zaak je als trainer zelf te blijven ontwikkelen, open te staan voor nieuwe ideeën.’







