Column Jan Schoonen: Joop Diepstraten

jan_schoonenKogelvangers uit het Noord-Brabantse Willemstad was, na vele verhuizingen, de club waarvoor hij het laatst speelde voordat hij bij SC Botlek terechtkwam. Bij die vereniging heeft hij eindelijk zijn thuis gevonden. Voetballen doet hij er niet meer, hoewel hij op donderdagavond op de training nog wel eens een balletje trapt.

Toen hij eenmaal gestopt was als voetballer heeft hij bij de Spijkenisser derdeklasser van alles gedaan: bestuurslid, leider van het eerste elftal onder meer. Vanaf 2001 is hij verzorger en die functie is Joop Diepstraten op het lijf geschreven.

Hij is vertrouwensman van de spelers, heeft een luisterend oor en mag meepraten als er weer eens een nieuwe trainer moet komen, zoals dit jaar. Maar voor alles is hij dus verzorger. Hij heeft de benodigde cursus zelf betaald, krijgt bij Botlek een vrijwilligersbijdrage en beweert hoofdschuddend dat verzorgers bij andere clubs soms wel 5000 euro per seizoen vangen. Joop hoeft dat geld niet. Gekscherend wordt gezegd dat hij bij Botlek per meter betaald wordt en dat vindt hij allang best.  Hij is tevreden dat hij mee mag op trainingskamp, zoals een week geleden naar Doorwerth bij Arnhem, waar hij zich kostelijk heeft geamuseerd. En ’s zaterdags staat hij vrolijk met zijn waterzak langs de lijn. Het belangrijkste werk doet hij voor aanvang van een wedstrijd, in de kleedkamer, vertelt hij. Dan tapet hij enkels en gooit spelers los, zoals hij zelf zegt. Joop wrijft spieren warm, knakt hier en daar een vastzittend ruggetje en als de jongens naar het veld vertrekken, vult hij zijn waterzak, gooit er zijn spons in en zoekt een plekje nabij de dug-out. Die spons van Joop heeft een magische werking. Als er weer eens een voetballer ter aarde is gestort en als de scheidsrechter het teken geeft dat hij mag komen kijken, draaft hij het veld op, waterzak met spons met zich meezeulend. Draven is eigenlijk te veel gezegd, want zo snel is Joop niet. Het is meer hobbelen wat hij doet. Bij Kogelvangers moet hij een statische speler zijn geweest, zo iemand die 90 minuten lang op balletjes staat te wachten en waarvan het shirt na afloop nog in de vouwen zit en brandschoon is.

Als Joop eindelijk bij de liggende Botlekker is aangekomen pakt hij zijn spons, wrijft er mee over de pijnlijke plek en altijd gebeurt er dan een wonder: de speler staat op en gaat even later weer als een speer over het veld. Eigenlijk vindt hij het lachwekkend, die voetballers die op de grond liggen. Spons er op en weg pijn; dan zal er wel niet veel aan de hand geweest zijn. Hij verdenkt zijn spelers er wel eens van dat ze hem expres op laten draven, het liefst op een plek zo ver mogelijk van de dug-out vandaan. Tegen Stellendam, afgelopen zaterdag, lijkt het daar verdacht veel op. Zesmaal moet hij het veld in, iedere keer helemaal aan de andere kant van het veld. Joop moet na afloop van de wedstrijd net zo moe zijn als de spelers, maar zich laten kennen doet hij niet, want verzorger zijn bij Botlek is zijn lust en zijn leven. Vlak voor tijd moet hij in Stellendam nog een keer het veld op, als Mico Milojevic op het gras blijft liggen, helemaal aan de overkant. De spons doet alweer wonderen. Als Joop zwaar ademend terugkeert bij de dug-out zegt hij met een quasi verongelijkt gezicht: ‘Het ergste is dat hij nog niks had ook.’ Hij moet er zelf om lachen.

{loadposition ads}